(Levens)langgestraft is elke dag opnieuw (deel 1)
Meer dan vijfentwintig jaar in de gevangenis. Eén ding leert heel snel: langgestraft (méér dan 25 jaar) is niet alleen een straf van tijd. Het is een straf van herhaling, dezelfde deur, dezelfde gang, dezelfde sleutel in hetzelfde slot, dezelfde luchtplaats en dezelfde vraag in mijn hoofd: Is dit nu mijn leven geworden? Buiten de gevangenis denken mensen vaak dat een lange straf simpel is. Zware criminele feiten, dus lange straf. Punt. Maar zo werkt het niet in een mensenhoofd. Het is geen rechte lijn. Het is een slepende tocht. Een gevecht tegen de sleur, schaamte, spijt, angst en de harde stilte van de nacht. Het is wakker worden met beton om me heen en gaan slapen met gedachten waar ik niet aan ontsnap. De tralies zijn niet altijd van staal, maar zitten in het hoofd. Want wat is langgestraft en levenslang echt? Het is niet alleen ontneming van de vrijheid. Ook de plaats in de gewone wereld gaat verloren. Buiten gaan kinderen naar school, mensen veranderen van job, ouders worden ouder, vrienden verdwijnen, huizen worden verkocht, buurten veranderen, telefoonnummers sterven uit. En ik? Ik blijft op dezelfde paar vierkante meter oefenen in overleven. De wereld loopt door. Ik blijft staan. Dat vreet aan een mens, ook aan mij. In een Belgische gevangenis is tijd geen neutraal ding. Buiten helpt tijd soms om wonden te helen. Binnen kan tijd ook afbreken. Elke dag die op de vorige lijkt, knaagt aan het gevoel vooruit te gaan. Daarom is (levens)langgestraft psychologisch zo hard. Niet omdat elke dag spectaculair wreed is, maar omdat zoveel dagen leeg zijn. Leegte en stilstand kunnen worden gelijkgesteld aan “geweld”. En toch is het beeld, dat een (levenslang)gestrafte in zijn cel gewoon wacht tot hij sterft, niet helemaal juist. België kent een systeem waarbij ook lang- en levenslanggestraften na minimaal 15 jaar gevangenschap een eerste kans krijgen om zelf via de strafuitvoeringsrechtbank (SURB) de terugkeer naar de maatschappij aan te vragen. Vijftien jaar is niet automatische gelijk aan het verlaten van de gevangenis; het is geen cadeau. Er moeten voorwaarden vervuld zijn. Er moet een plan zijn. En nadien is er controle, begeleiding en langdurige opvolging. Precies daarom is “hoop” bij een (levens)lange straf zo dubbel. Hoop heb ik nodig om niet te breken. Maar hoop kan ook pijn doen. Wie elke dag denkt: misschien verandert er iets, leert ook elke dag wat teleurstelling is. Het is beter “klein” te hopen; een brief, een bezoek, een rustig gesprek, een goede nacht slaap, een directeur, een hulpverlener of een bewaker die niet alleen naar het dossier kijkt, maar belangstelling heeft in de mens die daar achter zit. Dat is waar het vaak over gaat: gezien worden als mens, en niet alleen als dader. Om “hoop” te verstevigen zijn ook eigen bijdragen hieraan mogelijk, soms gepaard gaand met een beetje discipline en zelfrespect; opnemen van een studie, deelnemen aan groepsactiviteiten, lezen van boeken, bewegingsoefeningen, kijken naar een amusementsprogramma of (komische) film. Activiteiten die voor korte of langere tijd je zinnen verzetten en ervoor zorgen dat ik even een gevoel krijgt om direct daarna je terug te richten op het daderschap en de gevolgen daarvan.
L&B
Juni 2026