De rechter sprak:

"Ga en vereenvoudig u tot in het onbestaande".

Ego bleek niet groot genoeg, om het daar niet moeilijk mee te hebben.

Van Dale weigerde mij de beloofde woordenlevering, dus ik bleef met stomheid geslagen. Niet bont, niet blauw, maar beurs.

“Opgerot!” siste het laf weer.

Maar er is nu eenmaal niks aan te doen: fata ferenda, wat het lot ons oplegt, dat moeten we verdragen. En iedereen moet zijn eigen broek maar ophouden.

Daar ben ik het tot op navelhoogte  volkomen mee eens, maar als je bretels ineens alle 2 tegelijkertijd losspringen, kan een mens niettemin aardig voor aap komen te staan.

For the love that dare not speak it’s name?

“Laten wij tenminste moeite doen om juist te denken, dat is het fundament van de zedelijkheid” zegt Blaise Pascal, en deze stellingname is in ieder geval zeer wel aan u besteed. Waarde L. Schopenhauer dacht er overigens hetzelfde over: “Het leven is een treurige aangelegenheid, ik heb besloten om het door te brengen met erover na te denken”. Ook al had hij bij Montaigne gelezen dat de rede kon worden onttroond door een scheet, een copieuze lunch of een ingegroeide teennagel, zodat hij eveneens vond, in navolging van Montaigne, dat onze geest ondergeschikt is aan ons lichaam, hoe arrogant overtuigd we ook zijn van het tegendeel.

Niettemin, tegenover de onttroning van de rede benoemde hij de kracht in ons die volgens hem onveranderlijk de baas is over de rede, een kracht zo sterk, dat hij alle voornemens en oordelen van de rede ontwricht, namelijk ‘der Wille zum Leben’.

 

Klein Dompje graaft zijn eigen grof,

de loftrompetten zwijgen;

de reus richt zijn kalasnikov,

hij wil gelijk krijgen.

 

Klein Dompje schuwt Reus Duisterling,

in naam der kleinsgelijken;

hij wil, ondanks kontluistering,

nochtans geen dombreed wijken.

 

Klein Dompje blijft, zelfs neergemaaid,

van dommenaas gebaren;

hij wil, domzeggens domgedraaid,

zijn recht doen tedervaren.

 

Als het waar is, dat er zich in elk menselijk hart een tijger, een varken, een ezel en een nachtegaal bevinden, en dat de tegenstrijdigheden in ons karakter het gevolg zijn van ongelijke activiteit, dan kan ik dat alleen maar boeiend vinden.

-“Als een kannibaal met mes en vork eet, is dat dan een vooruitgang?” vraagt mijn getemde tijger zich samen met Jerzy Lec af.

-“Ontvliedt de menigte! Zelfs een olifant verlaat de weg, als hij de troep varkens ziet aankomen” knort mijn zwijn Pythagorassig, in medie luto est.

-“De mensen hebben het zo in hun bol dat zij zelfs hun nietige zonden oppompen tot aangeledigheden van kosmisch belang!” balkt mijn Richard Dawkins lezende ezel.

-“Que vivre difficile, o mon coeur fatigue!” zucht mijn schor gezongen nachtgaal.

 

DE VERSCHRIKKELIJKE EENZAAMHEID VAN DE INBREKER?  BRULLEN ALS EEN NACHTGAAL?

Jan Leyten, L., u zult hem wel kennen, is oud-hoogleraar aan de Universiteit van Nijmegen en oud-advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, ik hoop dat hij nog leeft. Hij heeft mij zeer weten te boeien met zijn geschreven werk, en ik ben u daar, zij het in figuurlijke zin, vaak in tegengekomen. Bij wijze van spreken “als een steekvlam in de nacht”. Niet alleen als advocaat, maar ook als mens, uiteraard slechts voor zover ik u maar ken of denk te mogen kennen: dezelfde degelijkheid, dezelfde bekommernissen, dezelfde waardigheid, kortom: een eendere ware geroepene, zoals Jan Leyten dat ook zelf blijkt te zijn.

“In strafzaken is de positie van de advocaat, bekeken vanuit het idee van winnaar of verliezer, uit de aard der zaak ronduit abominabel. Hoe men bij zoveel nederlagen, waaronder onverdiende, toch zo strijdbaar kan blijven, is het geheim van de goede advocaat. Een schitterend vak, de advocatuur. En ondanks alle diepe dalen vaak glorieus beoefend”.

Voilà dacht ik, dat gaat over zo iemand las ‘de onze’.

 

‘Dat advocaten die voor verdachten opkomen het soms moeilijk krijgen omdat zij zogenaamd het ‘slechte’ verdedigen, bewijst steeds weer dat de rechten van de verdachte mens gevaar lijden en moeten worden bevochten op onwil’.

Dat lijkt me, L., ook uw gedachtengoed, en dat maakt van het advocatenberoep, zeker als en zoals het door u wordt uitgeoefend, inderdaad een ófficum nobile’. Het is allerzins fascinerend om eens een blik te werpen op de “achterkant van het gelijk’ via de notities van uw hooggeachte confrère Jan Leyten.

 

‘De jurist, die zich van zijn taak bewust is, is dan ook een fundamentele twijfelaar, van wie in de praktijk nochtans voortdurend wordt gevraagd heel concrete beslissingen te nemen, een keuze te doen tussen de mogelijkheden die tegengesteld zijn en waarvan hij er toch geen principieel verwerpt. Het is inherent aan de echte juridische geestesverhouding, die twee tegengestelde waarden ontkent en beide aanvaard: die van het conflict, van de agressie, de strijd en die van vrede, verzoening, onherroepelijke beslissing.

Een advocaat is in zijn beroep een eenzijdig, bevooroordeeld wezen, en hij moet dat ook zijn. Hij staat vor iemand, soms een schurk, soms een gewoon mens met schurkachtige trekjes, maar bijna altijd voor een mens in moeilijkheden’.

Dat waren in ons geval, met alle emotionele wezenskenmerken vandien, geen moeilijkheden meer te noemen, dat was waarlijk diepste nood. Wij weten het wel, L., u heeft zich vuil moeten maken om ons weer uit dat drijfzand te krijgen, maar we hopen dat de modder weer op zal drogen, zodat u die grotendeels van u af zal kunnen schudden. Wat onszelf betreft: wij zullen niet toekomen met deze ‘goede raad van tante Kaat’.

‘In a real dark night of the soul, it is always tree O’clock in the morning”.

Of om het om Shakespeare’s Othello te verzuchten:

“I have lost my reputation, I have lost the immortal part of myself, and what remains is bestial”.

 

Ik denk dat de samenleving bezig is van rechters te verlangen  dat zij in haar naam, maar in het bijzonder van de slachtoffers, straf als wraak zal gaan uitoefenen. Omdat wraak zoveel nadelen had zijn we ertoe overgegaan haar als eigenrichting te verbieden. Maar het strafrecht komt binnen, daar waar wraak levensgevaarlijk is, omdat zij eerwraak (een woord dat we bijna niet meer kennen) oproept. Zo komt er in de samenleving nooit een einde aan de wrede chaos. Bij alle bezwaren die het statelijk strafrecht in het verleden in sterke mate en ook nu nog heeft, is het niet genoeg te waarderen voordeel dat degene die straft wel op de hoogte is van alles wat er is gebeurd, maar de rest daarvan niet anders beziet dan een willekeurige maar verstandige buitenstaander. Zo wordt de straf van wraak tot getemperde vergelding”.

Dat zit dan toch in mooiere woorden gegoten, dan dat wij het hebben ervaren. Het is en blijft volgens mij voor elke doorsnee mens een uiterst akelige ervaring: in kontakt komen met het gerecht. En naar ik meen, zelfs voor alle partijen. in ieder geval, al het onmenselijks was er ons vreemd. het is niet uit te drukken, geachte L., hoe wij ons met heel ons bestaan aan uw kennis en kunde hebben vastgeklampt tijdens deze toch wel zware beproevingen. En nog steeds, in zekere zin, al zal u dat wellicht hinderen.

 

“Als een rechter in zijn beroep één ding kan leren, dan is het wel dat twee visies op één en dezelfde werkelijkheid, die tegenstrijdig zijn en elkaar niet verdragen, beide waar kunnen zijn, omdat en voor zover zij van  ongelijke personen afkomstig zijn. Omdat de rechter een beslissing moet geven, kan hij met die wetenschap niet leven, en dus kiest hij, vaak zonder nauwkeurig te weten waarom, maar daar komt ook de rest van de mensheid nooit achter”.

Ik moet eerlijk bekennen: wij hadden sowieso weinig vertrouwen in de rechters die onze zaak behandeld hebben en wij hebben hun optreden ervaren als een huiveringwekkend schouwspel. “Res ipsa loquitur: de zaak spreekt voor zichzelf? Maar wat ik wil weten is wat die zaak dan precies zegt”.

Ik zou het regelrecht een traumatisch gebeuren durven noemen. Met slechts één lichtpunt: dat u er was om ons bij te staan.

 

“De onpartijdigheid van de rechter is zijn hoofdkenmerk en de eerste plicht die in zijn ambtseed ligt besloten. Echte partijdigheid is na corruptie het zwaarste ambtsmisdrijf dat de rechter kan begaan. De rechter krijgt van de wet de opdracht tijdens de zitting geen enkele blijk te geven van schuld of onschuld van de verdachte. De goede voorzittende rechter richt zijn vragen zo in, dat de beide partijen zoveel mogelijk vrijheid wordt gelaten: het lid van het Openbaar Ministerie en de advocaat”.

Als men dit werkelijk zo mag stellen, dan zijn ‘onze’ rechters in wezen toch daadwerkelijk in de fout gegaan. En wat een eindeloos gemanipuleer tijdens die laatste zitting.. We werden er doorstoken met een stokje en als rolmopsen in de pekel gelegd. Ons vertrouwen was zo geschokt, dat wij er zelfs van gingen schrikken, als er iemand daarna nog gewoon vriendelijk tegen ons was. Ik blijf erbij: alle verhoudingen waren absoluut zoek. en zijn onvindbaar gebleven. Maar dit is dan weer wat Jan Leyten zei en schreef over Tinus van Andel, president van het gerechtshof te Arnhem:

“Hij wist en droeg over op wie naar hem wilde luisteren, dat rechters niet beter zijn dan die zij berechten, dat alle leed zoveel mogelijk moet worden weggenomen. Dat de tranen gedroogd moeten worden zelfs van hen die bijna niet meer kunnen huilen. Dat iedereen, in lage hechtenis als verdachte of op een verheven troon als rechter, behoort tot hetzelfde en enige ras, dat van de mensheid. Hij maakte dat hof tot een hof van barmhartigheid. Daar werd en wordt over gesmaald. Ook in zijn directe omgeving. Maar ik weet zeker dat hij iets heeft aangericht dat overeind blijft: le bon juge”.

Dat is in ieder geval mooi en superieur verwoord. En ik denk, ook heel raak: “Daar werd en wordt over gesmaald”.. Wat een schrijnende vaststelling, alhoewel: wat een inferieure klasse tezelfdertijd, al die smalenden.

 

“Ik heb in vele raadkamers gezeten, in allerlei omstandigheden en rangen, van substituut griffier tot en met voorzitter, en mijn slotsom is dat het maar goed is dat er een geheim van de raadkamer bestaat, al was het maar omdat daardoor niet aan de dag treedt, zoals vaak wel bij openbare beraadslagingen in de kamers van de Staten Generaal, hoe weinig kwaliteit die discussies plegen te hebben”

Dat is dan helemaal zoals wij het al wel konden vermoeden. Men steekt het zelfs niet meer onder stoelen of banken. Overigens, het routineuze van hun optreden is bijna stuitend te noemen. Het kan volgens mij niet anders, of elke rechtgeaarde advocaat zal hier op geregelde tijden zowel letterlijk als figuurlijk wel eens van wakker liggen, heel goed wetend: zonder meer.

Camus zegt dan ook:

“Het opkomen voor de belangen van mensen die hun recht zoeken is een heel wat humaner bezigheid dan het oordelen over mensen”.

Weet, L., dat wij u zeer erkentelijk zijn, voor het feit dat u ons heeft willen verdedigen. U heeft voor ons alvast onvergetelijk werk verricht.

 

“Soms is het recht alleen maar een zwaard. Wij leven op wanen. en noemen het beginselen (van de rechtsstaat of zo)”.

Al is de fase van ongeloof en onrecht ondertussen weer een beetje weggeëbd, er blijft schade, die niet meer te herstellen is. Er voltrok zich zoiets ongelooflijks, dat ik telkens weer dacht: hier gaat het stoppen. Maar het is allemaal doorgegaan, de gesel werd verwisseld met de schorpioen.

 

“Ook nu nog schreeuwen de mensen van de pers moord en brand als er iets op hen wordt aangemerkt. De boodschapper heeft het weer gedaan, zeggen ze dan tot vervelens toe. Maar ze vergeten dat de boodschapper vaak zelf bepaald wat de boodschap is en bijna steeds hoe ze zal worden overgebracht”.

Napoleon zei het al: vier vijandige kranten zijn meer te vrezen dan 1000 bajonetten. Of zoals Arnold Bennet het stelt: journalisten zeggen iets waarvan ze weten dat het niet waar is, in de hoop dat het waar zal worden, als ze het maar lang genoeg zeggen. Journalistiek fatsoen verbiedt persmensen opiniërend te schrijven over strafzaken die nog onder de rechter zijn? Ik kan maar niet geloven en dus nauwelijks accepteren, hoe leugenachtig wij door hen zijn behandeld, dat dit zomaar zal verwaaien in de tijd en dus voorgoed een onlosmakelijk deel van ons leven zal blijven, als bloedzuigende teken die nooit te verwijderen zijn.

“Hoor de waanzin loeien!” riep Ida Gerhardt tijdens haar lessen, als iemand een kromme vertaling ten beste gaf.

 

Maar dit zegt Willem Witteveen nog in ‘De geordende wereld van het recht’:

“Wat deskundige juristen in staat stelt, en ons allen in staat kan stellen goed te functioneren onder zware druk is de vaardigheid een evenwicht te vinden tussen overtuiging en afstandelijkheid. Het evenwicht tussen overtuiging en afstandelijkheid is belichaamd in die eigenschap die we zelfverzekerdheid noemen. Maar zelfverzekerdheid, dat moet worden gezegd, is niet echt een doel op zichzelf. Het is een springplank naar een hoger goed: waardigheid. Waardigheid is wat zelfverzekerdheid wordt wanneer het een tweede natuur wordt. En waardigheid, een doeltreffende waardigheid waardoor we in staat zijn dingen gedaan te krijgen niet alleen met flair, maar in alle rust, daarover gaat nu eigenlijk dit hele verhaal”.

 

U ziet, L., er is al heel wat zinnigs over u en uws gelijken geschreven, want als ik iemand ken waaraan deze stellingname kan worden toegeschreven, dan bent u het wel. Dan is dit de belangrijkste les die wij van u konden leren: de techniek van de omkering, de kunst van de distantie.

U heeft hem in ieder geval op zak, die “Steen der Wijzen”, die wonderbare “lapis philosophorum”, die op geheimzinnige werkwijze gewonnen uit de prima materia, en u heeft er allerzins weet van: wil de Grote Arbeid slagen, dan moet dit gepaard gaan met de psychische loutering van de alchemist.