Rechtbank

Bij het parket heerst een strakke hiërarchie, geworteld in waarden en tradities die teruggaan tot de 19e eeuw. Zelfs erg sterke persoonlijkheden, mensen die van nature geneigd zijn zelfstandig te handelen, kunnen niet weerstaan aan de druk om zich naar de normen van de organisatie te schikken.

De pikorde is duidelijk: de Procureur-generaal leidt zijn korps binnen het ressort van het hof van beroep en de Procureur des Konings binnen zijn gerechtelijk arrondissement. Onder deze autoriteiten staan de substituten, de beleidslijnen – die vaak tot stand komen in de schoot van het college van procureurs-generaal -  moeten opvolgen en nakomen.

Het voordeel is dat “echt” beleid gevoerd kan worden, hetgeen de rechtszekerheid garandeert. Zo wordt vermeden dar er plaatselijk of binnen hetzelfde arrondissement markante verschillen optreden in het vervolgingsbeleid, waardoor personen in een identieke situatie op verschillende wijzen worden behandeld.

Maar het voordeel weegt niet op tegen de nadelen van een te strakke hiërarchie. De structuur is niet meer aangepast aan de noden en moeilijkheden die strafzaken met zich meebrengen, waardoor het OM soms voorbijschiet aan zijn eigenlijke doelstellingen.

Dor de inflatie van strafzaken en hun toenemende complexiteit kan het korpshoofd de zaken niet meer individueel opvolgen. Hij moet zich beperken tot het uitzetten van de lijnen; het kader waarbinnen het vervolgingsbeleid moet worden gevoerd. En juist hier is de kern van het probleem: het kader kan onmogelijk de vele schakeringen van daad en dader omvatten. De algemene beleidslijnen die worden geformuleerd bieden heel vaak geen gepaste oplossing voor een concrete zaak. Door de sterke hiërarchie is het voor een substituut haast onmogelijk om van die directieven af te wijken. De gevolgen van die kazernementaliteit laten zich dan ook voelen op de zittingen. Vaak worden door het OM onbillijke vorderingen gesteld of worden wereldvreemde standpunten verdedigd die geen rekening houden met de specifieke kenmerken van een zaak.

De sterke hiërarchie heeft nog een nadeel. Staande magistraten bezondigen zich net als andere overheidsinstellingen (politie, cipiers, …) aan een soort scoringsdrang, doordat ze van hogerhand streefdoelen krijgen opgelegd; per categorie misdrijf moet een vooraf bepaald resultaat worden neergezet, waarbij het aantal veroordelingen en de toegemeten strafmaat als criteria gelden. Wie zijn objectieven niet haalt, zo lijkt het althans, wordt achteraf op het matje geroepen. Een aanfluiting voor de creativiteit op het terrein. Doch vele korpsleiders huiveren om hun substituten meer autonomie te gunnen uit vrees dat hierdoor hun controle en gezag worden beknot (een zelfde bekrompenheid kan worden gesteld bij de 2 andere groepen staatsambtenaren, de politie en de cipiers)

Het is een totaal verkeerde reflex. Hoe meer zelfstandig een substituut kan werken, hoe groter de motivatie is om de wet effectief toe te passen en dit aangepast aan de wisselende noden en behoeften van de maatschappij en rekening houdend met de soms zeer uiteenlopende en specifieke gegevens en omstandigheden van elke zaak.

 En dan nog de perverse neveneffecten van deze verticale structuur. Dor een teveel aan controles en gezag gaan nieuwe medewerkers snel hun aandacht verleggen van een creatieve invulling van hun opdracht naar het beklimmen van de carrièreladder. Een hiërarchische op macht gerichte en beluste cultuur brengt hiërarchische geïnspireerde en op macht gerichte en beluste mensen voort!!!

De scoringsdrang ondermijnt dan weer de kritische zin tijdens het onderzoek. Staande magistraten zijn weinig geneigd politionele gegevens aan een nauwgezette analyse te onderwerpen. Alles wat van politiemensen komt, moet en zal juist zijn. De wet schrijft nochtans voor dat de procureur moet onderzoeken ten laste én onlaste. dit is cruciaal, aan dit wettelijke uitgangspunt ontleent het OM het aureool van behoeder van de maatschappij die de ultieme waarheid betracht. In de praktijk is van deze missie weinig te merken. Om te beginnen krijgt de parketmagistraat nooit een volledig zicht op de elementen ten onlaste, en dit om de simpele reden dat hij weinig of geen rechtstreeks contact heeft met de verdacht. Het innerlijke  van de mens zijn drijfveren, zijn voorgeschiedenis en familie achtergronden, het zijn allemaal factoren waarop hij geen zicht heeft. De relatie tussen de verdachte en het OM is sowieso problematisch. Er bestaat geen beroepsgeheim zoals tussen een advocaat en zijn cliënt. Waarom zou een verdachte dan open kaart spelen in zijn contacten met het OM?. Hij zal dat alleen doen als hij weet dat zijn toehoorder luistert om hem bij te staan en niet om hem te helpen te pakken op tegenspraak of halve waarheden. Er bestaan geen verdachten die hun verhaal en achtergrond volledig vertellen aan de onderzoekers of aan het parket, uit onwetendheid over hun rechten, of uit de vaak ongegronde vrees voor de negatieve gevolgen van hun onthullingen.

 

Helaas staat het OM te veraf van de verdachte om die onwetendheid en het wantrouwen weg te nemen.