Penitentiaire instellingen hebben uit hun aard een besloten karakter en hierdoor ook een hoog black box gehalte. Daarnaast dreigen de individuele rechtsbelangen van veroordeelden steeds te moeten wijken voor inrichtingsbelangen en het primaat rust veiligheid en regelmaat.

Midden 2002 waren de mandaten van de Bestuurscommissie en de Hoge Raad voor Penitentiair Beleid afgelopen en in 2003 nam de regering de gelegenheid te baat om de commissie en Centrale Toezichtraad voor het Gevangeniswezen (de Hiërarchische overste van de Commissies) op te richten. Dit gebeurde in de geest van het eindverslag van de Commissie  Basiswet Gevangeniswezen. Bedoeling was de werking de samenstelling de bevoegdheden en de taken van deze organen te professionaliseren en te herwaarderen.

 

In afwachting van inwerkingtreding van de Basiswet Gevangeniswezen op dit punt vormt het Algemeen Reglement van de Strafinrichtingen het juridische kader voor de commissies van toezicht en de Centrale Toezichtraad. Wat de commissies van toezicht betreft verschilt de tekst licht van de Basiswet: enkel de bemiddelingsbevoegdheid in geval van informele klachten is niet in het Algemeen Reglement van de Strafinrichtingen overgenomen. De voornaamste taak van de commissies is controleren hoe de gedetineerden behandeld worden en hierover een jaarverslag opstellen. Daarnaast kunnen de commissies op verzoek van de minister of de Centrale Toezichtraad of uit eigenbeweging advies geven en voorstellen doen over aangelegenheden in verband met het welzijn van de gedetineerden in de gevangenis waarvoor ze bevoegd zijn.

 

De bevoegdheden van de Centrale Toezichtraad voor het Gevangeniswezen bestaan enerzijds uit het nationale equivalent van de toezicht- en adviesbevoegdheden van de lokale commissies en anderzijds uit een aantal specifieke taken. Zo moet de Centrale Toezichtraad een deontologische code opstellen voor zichzelf en de commissies van toezicht. Daarnaast coördineert en ondersteunt de Raad de werking van de commissies van toezicht en ziet hij erop toe dat zij hun bevoegdheden niet te buiten gaan. Tenslotte stelt de Centrale Toezichtraad jaarlijks een activiteitenverslag op aan de hand van de jaarverslagen van de commissies van toezicht. In dit verslag trekt de Raad algemene conclusies en doet hij aanbevelingen

betreffende gevangenissen de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften. Ook hier verschilt de tekst van de Basiswet Gevangeniswezen van die van het Algemeen Reglement van de Strafinrichtingen. In de Basiswet is namelijk geen sprake van een deontologische code of bevoegdheid om na te gaan of de commissies van toezicht wel binnen de lijnen blijven lopen.  

 

Zonder afbreuk te willen doen aan het goede werk op het terrein ligt de focus van deze bijdrage vooral op knelpunten die de commissies signaleren.

 

Een pijnpunt dat steeds opduikt doorheen de jaarverslagen is het gebrek van middelen waarmee de commissies van toezicht en de Centrale Raad kampen. Verplaatsingskosten worden slechts met veel vertraging uitbetaald. Een ander punt is meer omkadering (bijvoorbeeld administratieve medewerker), de vraag blijft eveneens onbeantwoord.

 

Vanzelfsprekend heeft de rapportage hieronder te lijden. Van 5 commissies werd in 2005 geen verslag ontvangen, in 2006 ontbraken er 2 en in 2006 opnieuw 5!!

Ook de onvolledige samenstelling van sommige commissies vormt een treffende illustratie van de hierboven beschreven problematiek. Zo bleken er in 2005 5 commissies niet voltallig te zijn samengesteld. in 2006 was in de gevangenis van Arlon zelfs geen commissie actief. En in 2007 was er geen commissie van toezicht in de gevangenis van Brugge. Meer algemeen samengesteld dat commissies die bevoegd zijn voor meer dan een instelling vaak suboptimaal functioneren. Dit kan te wijten zijn aan de afstand tussen de instellingen maar ook aan de diversiteit van de populaties.

 

Door het hoge aantal gedetineerden het vrijwilligersstatuut van de commissiesleden en hun beroepsbezigheden komen wekelijkse bezoeken door de maandcommissaris soms in het gedrang. Sommige commissies lossen dit pragmatisch op door met 2 alternerende maandcommissarissen te werken.

 

De samenwerking van de commissies met de gevangenisdirecties, penitentiaire beambten medisch en psychosociaal personeel en externe diensten loopt over het algemeen vlot. Specifiek wordt wel gewag gemaakt door sommige commissies van een gebrek aan samenwerking met de psychosociale diensten.

 

De commissies beklagen zich erover ”tandloze tijgers” te zijn: hun gemotiveerde opmerkingen of voorstellen zijn niet bindend voor de directies. Voeg daarbij de gebrekkige omkadering en men kan ernstige vragen stellen over de daadwerkelijke onafhankelijkheid van de commissies van toezicht. Aangezien zowel de benoemingen als de toekenning van werkingsmiddelen via het ministerie van justitie verlopen is het bij nader toezien de overheid die indirect over de intensiteit van het onafhankelijk bedoelde toezicht beslist.

 

De informatie over de klachten die de commissies van toezicht ontvangen werd 2005 niet systematisch bijgehouden. De meeste klachten hadden dat jaar betrekking op de concrete leefomstandigheden van de gedetineerden en meer in het bijzonder op het gebrek aan hygiëne en de kwaliteit van de kleding, Het gebrek aan werk voor de gedetineerden, de beschikbaarheid en de kwaliteit van de medische en psychosociale dienstverlening. Daarnaast deden gedetineerden vaak een beroep op de commissies om informatie te bekomen over beslissingen die ten aanzien van hen werden genomen.

 

Uit cijfergegevens voor 2006 valt op dat het aantal klachten dat de verschillende commissies van toezicht behandelen erg uiteenloopt gaande van geen enkele klacht tot een 200-tal. Het voorwerp van de klachten komt grotendeels overeen met de in 2005 aangehaalde situaties. Nieuw zijn klachten over de toepassing van vermeende disproportionele tuchtsancties en over de voedselbedeling.

 

Wat 2007 betreft zijn er weer enkel sporadische cijfers bekend over het aantal klachten in de verschillende instellingen. De inhoud van de klachten ligt in het verlangde van 2005 en 2006, naarmate de overbevolking toeneemt stijgt vanzelfsprekend ook het aantal klachten hiervoor. Daarnaast is er ongenoegen over de overbrengingen en werd geklaagd over incidenten met leden van de directie of het bewakingspersoneel.

 

Zoals de Centrale Toezichtraad zelf toegeeft is zeggen dat de Belgische gevangenissen met een probleem van overbevolking kampen een open deur intrappen. Overbevolking is zonder twijfel het centrale pijnpunt en heeft een nefaste invloed op zowat alle aspecten van het leven en werken in de gevangenis: de behandeling van de gedetineerden, de werkomstandigheden van het personeel, de interne en externe veiligheid, de toegankelijkheid en de werkbaarheid voor de bevoegde personen en diensten van buiten de gevangenis en de vlotte behandeling van de dossiers inzake strafuitvoeringmodaliteiten. De jaarverslagen bieden een ontluisterende inventaris van de impact die de overbevolking heeft ook op kleinste details van het dagelijks leven gaande van het niet kunnen beschikken over een rookvrije cel tot de verplichting om een tv toestel te huren ook al verblijft men met 2 gedetineerden op een matras op de celvloer.

 

Los van de overbevolking op zich stellen een aantal commissies de mensonwaardige toestanden aan de kaak die de radicaal verouderde infrastructuur (bijvoorbeeld ontbreken nodige sanitaire voorzieningen) met zich meebrengt. Bovendien moeten alle basisproducten voor hygiëne (zeep, tandpasta, …) veelal worden aangekocht via een kantineregeling aan reguliere prijs. De centrale Toezichtraad beklemtoont zijn voorstel om deze producten gratis ter beschikking te stellen aan gedetineerden. Overigens stellen in 2005 en 2006 bijna alle commissies vast dat de kantineprijzen te hoog zijn en suggereren om beroep te doen op goedkopere winkelketens. Het teruggelopen aantal klachten hierover in 2007 geeft de indruk dat hieraan gevolg gegeven is.

 

Hoewel het aantal klachten van gedetineerden met betrekking tot de voeding in 2007 opmerkelijk lager lag, blijft het een knelpunt dat het voedingsbudget berekend wordt op basis van de normale capaciteit van een gevangenis en niet op de werkelijke bezettingsgraad, nieuwe gevangenissen kunnen weliswaar niet als bij toverslag uit de grond rijzen, maar dat de overheid ook blind blijft voor de overbevolking met betrekking tot het voedselbudget is alvast bijzonder cynisch.

 

Wat behulp door het Steunfonds voor behoeftige gedetineerden betreft, wijst de Centrale Toezichtraad er jaar na jaar op dat de niet altijd op de meest duidelijke of transparante regels gebaseerd is. Bovendien varieert de wijze waarop de behoeftige gedetineerden geholpen worden sterk van inrichting tot inrichting.

 

Op het vlak van de gezondheidszorg meldden de commissies dat er over het algemeen voldoende medisch personeel aanwezig is maar dat de psychiaters en de psychologische diensten overstelpt zijn met werk en bijgevolg weinig bereikbaar zijn. Het medisch personeel werd in het verleden erg onregelmatig en met grote vertraging uitbetaald. Het probleem verschuift nu naar de leveranciers van medisch materiaal die in sommige gevallen nog weigeren te leveren wat de kwaliteit van de zorg niet ten goede komt. Een ander aanslepend heikel punt is dat het grootste deel van de invrijheidsstellingen plaatsvindt buiten het medeweten van de medische dienst. Hierdoor komt de continuïteit van de zorgen vaak in het gedrang.

 

Bij hun aankomst in de gevangenis ontvangen bijna alle gedetineerden een document met informatie over het detentieverloop en de bezoekreglementering hoewel de kwaliteit hiervan sterk varieert va inrichting tot inrichting. Wel pleiten de meeste commissies ervoor om deze informatie  beschikbaar te maken in meerdere talen wat nu nog niet overal het geval is. Ook over de Basiswet Gevangeniswezen worden de gedetineerden onvoldoende geïnformeerd. De Centrale Toezichtraad dringt er daarnaast op aan dat alle gevangenissen over een reglement van inwendige orde beschikken.

 

Wat contacten met de buitenwereld betreft worden het bezoekregime, de telefoonfaciliteiten (ondanks de buitensporige tarieven) en de mogelijkheid tot briefwisseling globaal genomen gunstig geëvalueerd. De gesprekkosten liggen in een aantal inrichtingen wel heel hoger dan de normale tarieven wat vooral problematisch is voor buitenlandse gedetineerden.

 

In bepaalde inrichtingen is de isolatie- of strafcel niet menswaardig (vuil, kapotte matras, te koud en manifest gebrek aan psychologische ondersteuning). In Vorst en Andenne wordt opsluiting in een strafcel gebruikt om de directie te kunnen spreken.

 

Op het vlak van arbeidsmogelijkheden blijkt vooral het beperkte aanbod een aanslepend probleem. In sommige inrichtingen heerst soms een gevoel van willekeur of zelfs favoritisme bij de toedeling van de beperkte arbeidsplaatsen. Een mogelijke oplossing zou zijn om de toewijzing te laten verlopen aan de hand van objectieve criteria en transparante regels. Opdat dit geen louter cosmetische ingreep zou zijn komt het erop aan om dit verdelingssysteem voldoende concreet te houden zonder al te veel passepartout criteria.

 

De meeste gevangenissen bieden een minimum aan ontspanningsactiviteiten die evenwel sterk afhankelijk zijn van de infrastructuur van de gevangenis is kwestie die sportieve of culturele activiteiten vaak onmogelijk maakt. Er is een bibliotheek in bijna alle gevangenissen maar voor het overige blijkt het culturele aanbod grotendeels onvoldoende of zelfs onbestaande. Wel moet gezegd worden dat de gedetineerden doorgaans sportactiviteiten verkiezen boven culturele activiteiten.

 

Op enkele specifieke uitzonderingen na stelt de Centrale Toezichtraad geen algemene problemen vast op levensbeschouwelijk vlak. Het belangrijkste aandachtspunt blijft de aanwezigheid van voldoende bedienaars van de islamitische eredienst iets wat zeker nog niet overal het geval is.

 

Vormingsactiviteiten zijn vaak al te zeer afhankelijk van de plaatselijke wil in de inrichting. Het percentage gedetineerden dat een opleiding voltooid is gemiddeld aan de lage kant. De Centrale Raad suggereert dan ook onder meer om opleidingsprogramma’s te voorzien die bestaan uit korte modules met overstapmogelijkheden die in elke fase tot voldoening kunnen leiden en die de mogelijkheid bieden een opleiding voort te zetten in geval van overplaatsing of vrijlating. Vooral beroepsopleidingen hebben een grote meerwaarde: ze bevorderen de reintegratiekansen en een eventuele officiële erkenning werkt erg motiverend voor de deelnemers. Wel blijken gevangenisarbeid en het volgen van een beroepsopleiding met elkaar in concurrentie te treden: de lage verloning voor gevangenisarbeid is immers hoger dan de aanmoedigingspremie voor student gedetineerden.

 

Vrijwel alle commissies klagen blijvend over het personeelstekort en de overbelasting van de psycosociale diensten aan. De ruimtes voorzien voor hulpverlening en bijstand behandeling en individuele begeleiding zijn ontoereikend vooral voor de externe diensten. De geboden hulpverlening bij de voorbereiding van de post-penitentiaire fase omschrijven de meeste commissies over de ganse lijn onvoldoende.

 

In 200 werd de functie van een herstelconsulent ingevoerd. De wijze waarop en de intensiteit waarmee aan een herstelgerichte detentie gewerkt wordt varieerde immers erg van gevangenis tot gevangenis. In 2007 werd deze functie dan omgedoopt tot attaché herstelgerichte detentie maar ze ondervinden steeds moeilijkheden om het herstelrecht te integreren in de operationele plannen van elke gevangenis.

 

Wat de toestand in de Belgische gevangenissen betreft bevatten de jaarverslagen vermoedelijk weinig nieuws. Het is genoegzaam bekend dat er een aanzienlijke overbevolking is en dat sommige inrichtingen schromelijk tekort schieten op infrastructureel vlak wat een onmiskenbaar negatieve weerslag heeft op het leven en werken in de gevangenissen. Het principe “ce qui va sans dire va encore mieux en le disant” indachtig, leggen de jaarverslagen alvast blijvend een vinger op de wonde (al zou meer zeker niet ondermaats genoemd worden!!). Overigens zullen de commissies van toezicht voor 2008 worden bevraagd aan de hand van een gewijzigde vragenlijst om de Centrale Toezichtraad een nog beter beeld te geven van de knelpunten binnen het gevangeniswezen en van de activiteiten van de commissies van toezicht.

 

Wanneer de ideale omstandigheden niet aanwezig zijn hebben idealisme en inzet slechts vaak een beperkte houdbaarheidsdatum. Het is dan ook absoluut noodzakelijk om de leden van de commissies en de Centrale Toezichtraad voldoende werkingsmiddelen ter beschikking te  stellen en hen te vergoeden voor de geleverde prestaties (ondanks het vrijwillige karakter zijn het toch ook hier weer de vergoedingen die de rauwe bonen zoet maken, de leden van de commissies zijn veelal betrokken bij Justitie en verdien(d)en er jaren goed hun brood. Vrijwilligerswerk ten gunste van gedetineerden, een bevolkingsgroep bijna zonder vorm van recht en recht spreken, kan alleen mits betaling??!!). De controle op deze wijze is slechts een schaamlapje om te voldoen aan de nationale en internationale regels (goed bezig).

 

Men kan zich dan ook afvragen of de commissies van toezicht p dit moment als voldoende onafhankelijk beschouwd kunnen worden in de zin van de European Prison Rule nr. 93 dan wel veeleer onder regel 92 (governmental inspection) vallen.

 

Goed omkaderde en gemotiveerde commissies van toezicht zijn cruciaal in het licht van de invoering van het klachtrecht wanneer de klachtencommissies moeten worden samengesteld uit de commissie van toezicht )nog meer administratief werk en nog meer middelen nodig??) maar volgens de minister van Justitie is dit nog niet opgenomen in de eerstvolgende lading bepalingen van de Basiswet Gevangeniswezen (ook wel “lege doos’- wet genoemd in de wandelgangen, gezien alleen minder belangrijke en relevante artikels van toepassing zijn).

 

Concluderend kan naar aanleiding van bovengenoemde samenvatting worden gesteld dat zowel de commissies van toezicht als de Centrale Toezichtraad voor de stem en de rechten van gedetineerden papieren tijgers zijn, die allereerst, ondanks de vrijwilligheid, aan zichzelf denken door vergoedingen en meer middelen te vragen en daarnaast als intermediair om problemen van gedetineerden aan te brengen geen enkele slagkracht hebben richting directies van de gevangenissen. Goed dat er dan toch de Centrale Toezichtraad is die statistieken produceert van de onvolledige rapporteringen van de commissies van toezicht!!