Ik ben al geruime tijd actief in de gevangenis als imam, eerst als vrijwilliger en sedert enkele jaren als betaalde kracht.

Werken in de gevangenis is geen gemakkelijke taak; nog minder voor een imam, die de verschillende gevangenissen werkzaam is. Ik ben immers ook als imam aangesteld in andere gevangenissen. Omdat de opdracht niet eenvoudig is, dient een geestelijke verzorger de nodige tijd, energie en hulpmiddelen te krijgen om zijn taak naar behoren te kunnen uitvoeren. Het vergt enorme inspanningen en engagement om de materiële problemen waarmee bijna iedere gedetineerde geconfronteerd wordt, te helpen oplossen.

 

Als men in de gevangenis verblijft en  men kijkt aan tegen een aantal jaren detentie, dan komen er allerlei vragen en problemen op u af.

 

Sommige vragen kunnen praktisch van aard zijn, maar vragen kunnen ook een diepere bodem hebben. Vragen als “Hoe is  het zo ver met mij kunnen komen?” en “Hoe moet het nu verder met mijn leven?” komen vaak voor.

 

Vele gedetineerden willen praten over hun onmacht, hun schuld en onschuld, hun persoonlijke levensverhaal, hun hoop. Ook over relaties met mensen, die vaak gebroken zijn.

 

Gedetineerden willen praten over twijfels, eenzaamheid, vreugde, verdriet, boosheid en mislukkingen. Gedetineerden willen kijken naar hun verleden en zoeken naar toekomst. Gedetineerden hebben vragen over de zin en onzin van allerlei dingen. Gedetineerden willen praten over zingeving, over geloof…

 

Als imam wil ik hen bondgenoot zijn en samen met hen op zoek gaan naar een mogelijk antwoord op allerlei vragen en problemen die zich stellen.

 

Ik wil en kan hen als mens nabij zijn.

 

De inhoud van onze gesprekken worden aan niemand meegedeeld, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de gedetineerde. Dit is mijn ‘vrijplaatsfunctie’ in de gevangenis.

 

Als imam wil ik planmatig met elke gedetineerde, bij wiens leven in de gevangenis ik enigszins betrokken ben, een specifiek doel bereiken. Dit doel bestaat erin een echte geestelijke en morele steun te bieden, te helpen om met de juiste waarden en normen een respectvolle samenleving te creëren. Samen zetten wij ons in ten einde alle soorten van recidive te vermijden. Ik tracht zulks te bewerkstelligen door onder meer een individuele aanpak om op die manier het nodige vertrouwen te kunnen opbouwen. Deze opzet wordt evenwel gelimiteerd door de beperkte middelen die iedere penitentiaire instelling maar ter beschikking kan stellen.

 

Door mijn ruime ervaring in meerdere Belgische strafinstellingen heb ik kunnen vaststellen dat sommige instellingen de andere inrichtingen kunnen inspireren. Dankzij duidelijke afspraken, respect en samenwerking is het doel dat ik nastreef, bereikbaar gemaakt. De directie maakt dit voor mij mogelijk – ‘waar een wil is, is een weg’. Deze wil is binnen de gevangenis onlosmakelijk verbonden met het inrichtingshoofd. Binnen de instelling bekend als menselijk, bescheiden, eerlijk en competent. Ik kan mij nog zeer goed herinneren dat hij mij heeft uitgenodigd om mezelf als imam voor te stellen tijdens een vergadering van kwartieroversten en penitentiair assistenten. Ik kon er over mijn werk praten, en ik zal nooit vergeten wat de directeur tijdens deze vergadering heeft gezegd: “Ik wil dat de imam door iedereen op dezelfde manier wordt behandeld als de andere aalmoezeniers en moreel consulenten. De taak van de imam is een absoluut belangrijke taak. “Dit initiatief van de directeur betekende de hoeksteen van een respectvolle en vruchtbare samenwerking met het gevangenispersoneel.

 

Op dezelfde manier kon ik het Beschermcomité te woord te staan. Ook daar heb ik een spontane bereidwilligheid ervaren om samen te werken en te streven naar een zelfde doel met betrekking tot de gedetineerden. Deze ervaring kon mij alleen maar sterken en verder inspireren.

 

Een veelzeggende gebeurtenis die mij is bijgebleven, is de volgende: een gedetineerde vertelde mij dat hij na zijn transferprocedure een hand kreeg van de directeur om hem zodoende te begroeten; tot op heden verbaast het hem nog altijd, als gedetineerde, een handdruk gekregen te hebben van een directeur. Deze behandeling heeft het gedrag van de betrokken gedetineerde verder enorm beïnvloed; hij besloot daarom om geen problemen te veroorzaken, zelfs niet met personen, die geen respect tonen voor hem, enkel en alleen omwille van het respect dat hij kreeg van de directeur.

 

In de gevangenis mag ik ervaren dat de geestelijke verzorging degelijk is geïntegreerd in de werking van de gevangenis. Er is plaats en ruimte voor het werk ven een imam en  van andere aalmoezeniers. Een imam heeft de mogelijkheid invulling te geven aan wat hij belangrijk vindt in zijn opdracht. Daartoe geniet de islamitische gemeenschap binnen de muren vele mogelijkheden, die in andere inrichtingen niet altijd even makkelijk kunnen of mogen gerealiseerd worden. Er is het wekelijkse vrijdaggebed. Ik kan Koranlessen geven. Ook bestaat de mogelijkheid om het Offerfeest en het Suikerfeest te organiseren.

 

Binnen de muren kreeg ik de beschikking over een eigen bureau dat ik naar eigen goeddunken mocht inrichten; zo kon ik een ‘celbreed’ tapijt leggen waardoor ik de gedetineerden op de voor mij gepaste islamitische manier kan ontvangen, zonder de scheiding van een bureau, maar op dat tapijt. Dit betekent voor mij, nu nog altijd, een aangename ervaring. Het feit dat moslimgewoontes ook binnen de gevangenis gerespecteerd worden, is voor mij steeds weer een deugddoende ervaring en maakt de werksfeer toffer. De gevangenis mag dan wel een zeer oude gevangenis zijn, er is geenszins een oude of stoffige (werk)sfeer.

 

Ook mag ik een fijne samenwerking met de andere geestelijke verzorgers ervaren. Dit had bijvoorbeeld reeds als resultaat dat we een heuse interreligieuze viering konden organiseren, wat een groot succes was; de opkomst van gelovigen van verschillende geloofsovertuigingen was hiervan het bewijs.

 

Het is ook bijzonder fijn te mogen ervaren dat het personeel bij problemen met gedetineerden spontaan op mij beroep doet. Dat betekent dat het personeel in mijn vertrouwen stelt en dat het mij als een collega beschouwt, die ook zijn bijdrage kan leveren om te proberen problemen op de lossen.

 

Bij de geestelijke verzorging, die ik aan heel wat moslims binnen de muren verschaf, ervaar ik tot op heden dat wederzijds respect en zelfrespect centraal staan. Tolerantie en openheid zijn hier onmisbare begrippen die ik steeds voor ogen houd en ook doorgeef aan ‘mijn’ gedetineerden. Dat is pas het werkelijke geloof.

 

Laat ik tenslotte mijn visie en ervaringen als volgt verwoorden in één slagzin: straffen is niet het (ultieme) middel; communiceren en kansen geven om te kunnen veranderen, dat is de zaligmakende boodschap!

 

H.