Dromen? Nee dank je.

Een klein beetje geluk, een vleugje hoop, dat beetje ademruimte, daar kom ik al een heel stuk verder mee.

 

En toch,

even wegdromen, even al m’n zorgen vergeten, genieten van het moment waarop ik al m’n beperkingen laat vieren…

En dan,

terug met mijn voeten op de grond, of beter gezegd ‘in’ de grond, en een moeras. Hoe harder ik er probeer uit te komen, hoe vaster en dieper ik kom te zitten. Dromen, nee dank je.

 

Ik had dromen.

Toen ik klein was, zat ik het liefst in de natuur. Buiten spelen in de bossen, vissen, wandelen, kortom echt ervan genieten.

 

Daarom koos ik ook voor de tuinbouwschool. Ik ging er op internaat. De instelling waar ik verbleef was te ver om elke dag op en af te gaan.

 

Ik was niet de perfecte leerling en tijdens de theoretische vakken was ik veelal aan het dagdromen over een eigen stek, een thuis, mijn ‘droomjob’. Zo droomde ik ervan het onderhoud te mogen doen van een kasteeltuin met een grote vijver, en dat in alle rust en op eigen tempo.

 

Tijdens m’n 6de jaar liep ik stage in een bloemen- en plantenkwekerij. Het beviel me wel en na m’n schoolperiode werd ik er in dienst genomen. Het was niet de ‘droomjob’, maar het was wel de ideale plek om kennis op te doen over het kweken en onderhouden van planten. Ik ging zelfstandig wonen in een klein appartementje. Ik was niet veel thuis en had daarom niet veel ruimte nodig..

 

Na een jaar dienst, begon ik uit te kijken naar die ‘droomjob’. Ik volgde de vacatures op in de krant en stak hier en daar mijn licht op bij klanten van het bedrijf waar ik werkte. Veel vraag naar een privétuinman was er niet. Het werk beviel me wel, er was geen haast bij. Alles leek zijn rustige gangetje te gaan, tot ik –ik weet het nog goed, op 14 juni 2000 aangereden werd door een auto. Ik stak het zebrapad over op 200m van mijn appartement. Twee dagen later werd ik wakker in het ziekenhuis. Ze hadden me in coma gebracht. Bij het eerste gesprek met de dokter bleek dat ze 2 spoedoperaties moesten uitvoeren. M’n rechterknie was verbrijzeld  en de rechterkant van m’n heup was op 3 plaatsen gebroken.

 

Het werd een lange revalidatie. Zes corrigerende operaties volgden elkaar op om m’n knie en heup nog enigszins te herstellen. De eerste 9 maanden zat ik in een rolstoel. Daarna liep ik nog een jaar met beugels en moest ik 2 keer per week naar het ziekenhuis.

 

In het begin kwamen mijn werkmakkers en vrienden van op het internaat me bezoeken maar na een tijdje zag ik niemand meer.

 

Ik was volledig in mijn recht. Enkele maanden later kreeg ik een vergoeding van de verzekering, een ‘geluk bij een ongeluk’. Ik wou altijd al een eigen stek en kreeg de kans m’n appartementje te kopen. Hele dagen thuis zitten, is niet echt mijn ding. Ik kon toen al korte stukjes lopen en besloot om een oude passie terug op te nemen. Ik schreef me in bij een vissersclub. Toen ik jonger was, en gezond, ging ik met de fiets vissen, maar dat was nu onmogelijk. Ik schafte me een tweedehands Ford camionette aan waar ik al m’n vismateriaal in kwijt kon. Zo hoefde ik niet telkens opnieuw op te bergen.

 

Bijna 2 jaar duurde mijn revalidatie en kreeg ik geld van de ziekteverzekering. Ik had alle tijd van de wereld om bijna dagelijks de vijver van de club te verkennen en de beste plaatsjes en methodes uit te proberen. In 2002 werd er een clubkampioenschap gehouden dat ik won. De 1ste prijs was een visvakantie voor 2 personen aan de ‘Lacs du Connemara’ in Ierland. 14 dagen ‘bed & breakfast’ in een gezellig landhuis op 200 meter van het meer.

 

Ik stelde voor aan Ward, een visser uit de club waar ik het goed mee kon vinden, mee te gaan. We vertrokken de 2e week van juli in mijn camionette. Hij betaalde de opleg van de ferry oversteek. Het werd een zalige vakantie, ook al viel de visvangst soms tegen. Ik herinner me het prachtige landschap, de gastvrijheid, de ‘bed & breakfast’, en de zalige avonden in de kleine pubs,…

 

Ik leerde Ward beter kennen. We gingen van koetjes en kalfjes over naar meer serieuze onderwerpen. Over de toekomst en wat ik zou gaan doen na m’n revalidatie. Van een uitkering alleen kon ik niet leven, ik was maar voor 37% invalide verklaard. Terug gaan werken in de plantenkwekerij was uitgesloten. Zware fysieke arbeid zat er immers niet meer in. Ward vertelde me dat ze in een ICT-bedrijf niet ver van waar ik woonde nog iemand zochten als nachtwaker.

 

Na de reis ben ik gaan solliciteren. Een week later kreeg ik het bericht dat ik mocht beginnen. De 1ste maand op proef. Na die maand werd ik vast aangenomen en werkte 4/7de: de vrijdag-, zaterdag, zondag- en maandagnacht. De dagen dat ik niet moest werken: bracht ik door aan de waterkant.

 

Mijn sociale leven stond op een laag pitje doordat ik ’s nachts en in de weekends werkte. Ik ging nu en dan met Ward en nog enkele kameraden van de vissersclub op café, maar veel viel er niet echt te beleven. Ik kreeg heimwee naar dat prachtige .land waar de mensen zo gastvrij waren en het landschap eruit zag alsof de tijd er eeuwen was blijven stilstaan.

 

Het 1ste jaar at ik er werkte, was het moeilijk om mijn verlof te regelen. Het is ook niet zo eenvoudig om als nieuweling even aan de deur van je overste aan te kloppen om je verlof te regelen. Ierland moest nog even wachten. Na verloop van tijd groeiden mijn contacten met mijn collega’s –waarvan ik regelmatig dagen overnam. Ik had toch niet zoveel te doen, en kon op die manier meer verlof sparen. Het 2de jaar dat ik er werkte had ik genoeg verlof en redelijk wat geld opzij gezet om 3 weken door Ierland te trekken.

 

Deze keer werd het een trektocht allen en trok ik met mijn camionette van het ene dorp naar het andere. Ik verbleef er telkens 2 nachten. Het was een echte verademing. Ieder dorp had zijn eigen achtergrond en overal hing er zo’n gezellige sfeer.

 

Op een koude lenteavond zat ik in een donkere pub waar ze net de open haard hadden aangestoken. Het licht van de vlammen  weerkaatste op de houten toog die voorzien was van prachtig snijwerk. Eén van de stangasten zette een oud zeemanslied in en al gauw begon iedereen mee te zingen. Het ene na het andere lied volgde elkaar op tot in de vroege uurtjes. Ik kon mijn ogen bijna niet geloven dat zonder enige aanleiding mensen zo samen kondeen zijn. In het begin dacht ik dat het louter toeval was. Hoe meer dorpen ik bezocht, hoe duidelijker werd dat dit samenzijn een cruciale rol speelt in hun gemeenschap.

 

Toch voelde ik me alleen. Dat gevoel drong zich de laatste jaren steeds meer aan me op. Thuis was ik alleen, maar ook daar, tussen al die mensen. Vreemd, vind je niet? Ook al waren de mensen open en werd ik overal hartelijk ontvangen.

 

En toch…

 

Ik kwam thuis, vol prachtige herinneringen en ervaringen, maar de afgelopen reis liet een dubbel gevoel achter.

 

De samenhang van die gemeenschap en hoe families daar met elkaar omgaan, dat had ik nooit eerder meegemaakt.

 

Zelf heb ik geen ‘familie’

 

Ik had een vader, maar toen ik zo ongeveer 6 jaar oud was, stierf hij, waaraan weet ik niet. En dan is er ook nog zoiets als een moeder, of wat je een moeder kunt noemen. Voor zover ik weet, werd ze na de dood van mijn vader depressief. Ze begon te drinken, en kon, ‘wilde’, niet meer voor me zorgen. Ik werd in een tehuis geplaatst. Sindsdien heb ik nooit meer iets van haar gehoord,… Een thuis,… dat heb ik nooit gekend. Misschien is dit wel een droom van me, ‘een thuis vinden’.

 

Hoe dan ook, het wordt al laat. De verpleegster komt me vertellen dat het licht uit moet op de kamer, misschien schrijf ik je morgen wel.

 

Lars, hopelijk schrijf je terug.

Een beetje hoop doet ook al dromen.

 

GROETEN, DIETER.

 

Dag Sofie,

 

ik denk dat iedere mens wel geconfronteerd wordt op de één of andere manier met de beperkingen van zijn vrijheden. Op school dacht ik ‘vrij’ te zijn, weg van het ‘opgesloten’ gevoel dat ik thuis had, waar ik me al te vaak alleen voelde. Ik leefde wat op mezelf samen met mijn 3 broers en 4 zussen. Zij hebben allemaal een grote vriendenkring, gevulde vrije tijd… Ik niet. Vanaf het eerste middelbaar voelde ik me er even ‘alleen’ als thuis. Het interesseerde me niet echt hoe de spontaan ontstane roddels werden verkocht alsof die gratis waren. Vaak ook aan mij. Vooral omwille van mijn ‘stille’ aanwezigheid, mijn onopvallend karakter wat me des te opvallender maakte en zeker ook mijn grote bril. Altijd maar aangesproken en uitgelachen worden als ‘vieroog’… tja.

 

Vrijheid, het is hoegenaamd een relatief subjectief begrip, zoals ook de liefde. Het valt niet op te bergen in een klein of groot doosje. Het is nooit tastbaar. Het is niet om te ruilen voor een beetje, zelfs niet tegen het grootste geld dat op een bakrekening kan staan.

 

Ik denk dat vrijheid veeleer te maken heeft met je eigen gevoel van vrijheid. Je persoonlijke benadering van de omstandigheden waarin je verkeert, en hoe te ermee omgaat. Die bewegingsruimte vinden, bekijken en ervaren als jouw vrijheid waarmee je kan denken en hendelen. ik denk dat zo’n gevoel vaak bepaalt wordt door die je zelfbent, hoe je in het leven staat. Voel jij je soms niet vrij wanneer je vriendinnen bent?! Al leef je op andere momenten wat meer gevangen in de instelling. Ik kijk nog mar naar buiten en het enige wat ik zie is een grenzeloze wereld die er verlaten bijligt. Het valt niet op dat de tijd verder tikt. In de verte staan wat koeien te grazen in een afgesloten weide en een boer ploegt zijn akkers om. Hij moet toch gelukkig zijn, eigen baar over zijn eigen leven? Ik geloof dat we allen wel een vorm van vrijheid kunnen voelen, zelfs wanneer de muren rondom ons zo dik lijken te zijn. Ik denk dat na aanvaarding van het onvermijdelijke, je ogen meer dan louter de beperkingen zien, die er ongetwijfeld wel zijn, niet?

 

Waarom schrijf ik dit… Omdat jij zeer waarschijnlijk dit ook al eens overdacht hebt vermits je in een instelling  verblijft. Waarschijnlijk herken je dit wel, zo’n gevoel van weinig controle over je eigen leven hebben. Ik kan er wat van meespreken want met zo’n groot gezin als bij mijn ouders thuis, kun je je wel voorstellen dat er veel regels en een streng optreden van mijn ouders nodig was. Misschien dat ook een gevoel van weinig verantwoordelijkheid hoeven nemen, meespeelt. Je moeten overleveren aan je ouders…, een mens wordt daar al eens opstandig van. Eigenlijk Sofie, het vergrote deel van mijn miezerige jeugd heb ik wat geleefd zoals van mij verwacht werd. Ik denk dat ik gewoon mijn energie en aandacht niet wou schenken aan de alledaagse banale (althans voor mij) discussies en plagerijen tussen ons broers en zussen. Soms is het niet genoeg enkel in je gedachten en in je gevoel  vrij te zijn, en verlang je naar meer. Naar een vriend, een vriendin, … een vertrouweling of geliefde die je diezelfde vrijheid ook kan schenken. Gewoon … door je te accepteren en te aanvaarden zoals je bent, hoe weinig ‘woorden je ook gebruikt’. Inclusief al die vreemde trekjes en eigenaardigheden die erbij horen, Ja, ik praat nogal vaak tegen mezelf. Ik kan soms zo ver in mijn gedachten verzonken zijn dat er spontaan wel eens een glimlach op mijn gelaat verschijnt ot net een kwade blik, zonder dat mijn omgeving eigenlijk weet wat er achter schuilt. En ik denk vaak aan hoe het leven zou zijn mocht ik eens kunnen beslissen. ik zou een wereld creëren waar alvast wat meer tijd zouden geven aan elkaar, wat meer moeite zouden doen om elkaar te begrijpen. Om ook het respect te krijgen voor mijn interpretatie van de dingen die ik tegenkom op mijn pad… Zou dat niet een mooi uitgangspunt zijn voor een ontmoeting? Nog zo’n trekje van me is bijvoorbeeld wanneer ik stap, ik me concentreer op de  voegen tussen de tegels en er probeer niet van af te wijken, waarom? Ik weet het niet… Om toch maar iets van controle te hebben op mijn wereldje, denk ik.

 

Ik ben heel ontroerd door je brief Sofie, want het laat me voelen dat je niet zozeer de ontmoeting laat bepalen door je vooroordelen (als die er al zijn), maar je durft open te stellen voor een nieuw treffen. Ongeacht wie die onbekende is die voor je staat… Je kunt me niet eens zien.

 

Soms vraag ik me af waar de wreedheid van de mens vandaan komt. Waarom vullen we onze gedachten met hypothesen en dubieuze gedachten, om ze later uit te spuwen op die persoon waar we denken zoveel van te weten?

 

Ik leef liever op het platteland, ver van de chaos en het geregelde leven. Laat mij maar leven van de schoonheid van de levende natuur, vertoeven in een oase van rust en iedere morgen ontwaken met enkele zonnestralen op mijn gelaat die nooit liegen wanneer ze me hun warmte geven. Geen last van ochtendhumeur.

 

Niet zoals vroeger, toen ik iedere morgen opstond met weinig zin. Weer datzelfde leven leven dat eigenlijk niet echt ‘mijn’ leven was. Ik kon geen expressie geven aan mijn identiteit. Er was toch niemand die ‘keek’. Ik denk dat we met teveel mensen woonde in hetzelfde huis.

 

Mijn moeder heeft me ook wat aan de kant gezet in haar leven. Nog maar heel sporadisch hebben we zontact met elkaar. Ik ga er zelf ook niet echt naar op zoek want ik weet dat ze me toch niet begrijpen kan. Ik denk dat we door de lange dagen heen, te ver uit elkaar zijn gegroeid. De afstand die er nu bestaat tussen ons zie ik niet meer te overbruggen. De liefde voor mij, haar zoon, is niet wat haar doet bewegen, denk ik. Weet je ik geloof ook niet meer in de onverantwoordelijkheid. Ik denk dat de uitzondering de regel wel zal bevestigen. Maar toch, ik zie haar graag….

 

Je kent me niet echt. Toch voel ik me op verscheidene manieren wat verbonden met jou. In je open brief met wat gerichte vragen schuilt een soort van aanvaarding, ongeacht de woeligheid, de gekleurdheid die mijn verleden je laat zien. Je vragen zoeken antwoorden om begrip te  vinden in het onbeschrijfbare. Dat alleen al….

 

Ik wens je veel geluk en sterkte in je zoektocht naar een vrij, gelukkig en intens leven…

 

Maar je vele sportactiviteiten en je vrolijk dansen zal je al wel op weg helpen. Succes daarmee!

 

Groetjes

 

BREMEL