Zijn 150-jarig bestaan is een goede gelegenheid om Leuven Centraal te lichten uit de algemenere

penitentiaire geschiedenis van dit land. Dit is des te meer terecht omdat deze inrichting niet zo maar kan gelden als een exempel van het geheel. Ze verdient onze belangstelling omdat ze doorheen de tijd, vanaf haar ontstaan tot op vandaag, om allerlei redenen een prominente positie heeft ingenomen in het Belgisch gevangeniswezen.

Bij chronologische historische overzichten worden veelal mijlpalen, breukmomenten en afgelijnde faseringen aangebracht. Dit is nochtans niet evident omwille van de complexe historische verhoudingen tussen filosofieën, discoursen, beleidsoriëntaties en de praxis. We zullen de krachtlijnen doorheen 150 jaar overlopen aan de hand van vier ‘open’ paragrafen omdat de invloeden en tendensen eerder evoluerend accumuleren dan dat ze als afgebakend kunnen worden voorgesteld binnen tijdsvakken. In de loop van het chronologisch overzicht schenken we tussentijds aandacht aan sommige markante gebeurtenissen die als het ware uit de band springen van de penetentiair-historische stroomlijn.

 

Het is eigen aan de geschiedenis om te speuren naar de vroegste origines van de hedendaagse systemen en instellingen. We moeten ons hier echter beperken tot de meer directe ontstaanscontext van de gevangenis, namelijk de tijd toen de staat nog maar in  wording was en een penitentiaire beweging op gang kwam met als prominent figuur Edouard Ducpétiaux. Als voortrekker van een uitgesproken penitentiaire gedachte en actie in België wist Ducpétiaux, aanvankelijk mist veel inspanning, de politieke leiders te bewegen tot het voorzien in een geheel van diverse inrichtingen voor heropvoeding en strafuitvoering. Hij had al aangestuurd op de aanpassing van de centrale gevangenissen van Gent, Vilvoorde, Aalst, Namen en Sint-Bernhard in Hemiksem. Ze waren voor hem echter ver van volmaakt. Mede geïnspireerd door zijn christelijke mensvisie en schatplichtig aan de verlichtingsfilosofie had hij voor de strafuitvoering van langgestraften een doelmatig beveiligde inrichting voor ogen. Ze diende door haar regime en bouwkundig concept de gedetineerde te brengen tot boetedoening, inkeer en tot morele verbetering en dit rekening houdend met voor de tijd humane standaarden op fysiek en geestelijk gebied.

 

Ducpétiaux vond hiervoor in eerste instantie inspiratie in de geschriften over het cellulair systeem zoals verwezenlijkt in de zogenaamde Pennsylvaanse gevangenissen. Ook ging hij zelf op studiebezoek naar moderne gevangenissen in Engeland en op het Europees continent. Zo vormde hij zich een oordeel over wat België op penitentiair gebied wezenlijk nodig had. Men beweert daarom wel eens dat de centrale gevangenis te Leuven het beste representeert van wat de westerse wereld toen te bieden had. Waren de modelgevangenissen te Brüchsal, Pentonville en Cherry-Hill inspirerende voorbeelden, dan zou Leuven centraal met zijn zes cellenvleugels en meer wandelplaatsen, de ‘grote drie’ nog overtreffen.

 

Ducpétiaux was dan wel begeesterd door de idee van een gevangenis in het centrum van het alnd voor langgestrafte mannen en een K.B. van 23 augustus 1846 had in die zin al perspectieven geopend, maar voor de eerste spadesteek was het nog jaren wachten. Bovendien had Ducpétiaux nog werk om zijn visie door te drukken daar in die tijd de regering nog niet overtuigd was dat het om een cellulaire gevangenis zou gaan. Mede na studiebezoek van vermaard architect Dumont aan modelgevangenissen in Engeland werd toch in deze zin beslist. Na onderhandelingen met het Leuvense stadsbestuur dat erg was opgezet met het project, maar zoveel mogelijk de compensatie geëist door de staat wilde inperken, kon de bouw, die 3 jaar zou duren, in 1856 worden aangevat. De centrale overheid liet zich bij haar keuze voor Leuven kennelijk leiden door doorslaggegevende argumenten van het stadsbestuur, namelijk nog heel wat vrije ruimte nabij het stadscentrum, allerlei faciliteiten die de stad kon bieden, gemakkelijke treinverbinding met Brussel.

 

Uiteindelijk kwam een bouwwerk tot stand dat overeenstemde met het cellulair ideaal. Zeshonderd uniforme cellen vormden het zwaartepunt van een regime gebaseerd op individuele arbeid en persoonlijke boetedoening en inkeer. De centraal ingeplante kapel was het instrument bij uitstek voor de religieuze beïnvloeding van de gedetineerden. Een radiaal grondplan met 6 vleugels, waarvan 5 met 3 open verdiepingen uitstralend vanuit het centrum, het zogenaamde panopticon, maakte permanente observatie mogelijk. De bekommernis voor de fysieke gezondheid bleek uit de voorzieningen voor de behandeling van de voeding, voor de persoonlijke hygiëne en kwam tevens tot uiting in de gesofisticeerde installaties voor de luchtverversing, de watertoevoer en de centrale verwarming. Om de veiligheid en de afzondering van de buitenwereld te waarborgen was de gevangenis omringd met een binnen- en buitenmuur en daartussen een patrouillepad, met hoektorens en met wachtposten. In steen gehouwen iconografie getuigt vandaag nog van de penitentiaire filosofie met op de eerste binnenkoer het chronogram, met stichtingsdatum, HIC Miseros Lapsos FIDes, Labor sClente reLeVant (Hier worden de arme gevallenen door geloof, werk en kennis overeind geholpen). De halfverheven sculptuur van kunstenaar Frans Vermeylen boven de toegangspoort is een voorstelling van aan de ene kant de publieke Macht, die de boosdoener dwingt aan de voeten van Vrouwe Justitia en langs de andere kant de Godsdienst die hem terug optilt na de val. Het machtige gebouw in Tudorstijl met zijn kolossale muren, hoektorens en kantelen moet, zeker toen het nog vrij stond in de open ruimte aan de buitenzijde van de stad, een imposante, ontzagwekkende indruk hebben gemaakt.

 

Dit alles maakte dat de centrale gevangenis te Leuven – geroemd als het ‘kroonjuweel’ van de cellulaire detentie – internationaal in de belangstelling kwam te staan, dat ze voor buitenlandse architecten inspiratiebron en studieobject was. Markant – en enige symboliek inhoudend voor de overgangstijd waarin de gevangenis is gebouwd – is dat nog werd voorzien in een driehoekige binnenplaats voor de doodstraf met de guillotine. De plek is weliswaar nooit als zodanig gebruikt. Verwonderlijk is alleszins dat Ducpétiaux, als fervent tegenstander van de doodstraf, nog heeft moeten aanzien dat in ‘zijn’ nieuw gevangenismodel een oude praktijk aantoonbaar aanwezig bleef.

 

Wordt de tijdspanne tussen 1860 en de eerste wereldoorlog wel eens voorgesteld als de periode waarin het afzonderingsregime werd gevestigd en geconsolideerd, dan doorbrak de sociaal woelige tijd van de negentiende naar de twintigste eeuw op een bijzondere manier de routine in Leuven Centraal. Wegens hun rol in quasi revolutionaire manifestaties in de lente van 1886 werden de ‘ophitsers’ Falleur en Schmidt veroordeeld tot 20 jaar dwangarbeid en opgesloten in de centrale gevangenis. Om te voorkomen dat de passies onder de arbeiders wegens het lot van hun gevangen kameraden nog zouden oplaaien en men een eventueel overlijden in de gevangenis wilde vermijden – voor het leven van Schmidt werd gevreesd – stelde toenmalig minister van Justitie Lejeune alles in het werk om de betreffende gedetineerden vrij te krijgen. Het waren uiteindelijk zij, samen met de anarchistische leider Wagener en nog een aantal veroordeelden naar aanleiding van de onlusten, die konden genieten van de eerste voorwaardelijke invrijheidstellingen. Lejeune zelf had in Leuven met de gedetineerden een gesprek en zette als het ware persoonlijk voor hen de gevangenispoort open. Vandaar dus de aanleiding voor een versnelde realisatie van de wet inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling, waarvan Leuven Centraal het decorum vormt. Eveneens in de context van sociale woelingen werd de internationaal vermaarde anarchist en intellectueel, Jules Moineau, in 1892 veroordeeld tot 25 jaar dwangarbeid. Ook hij kwam terecht in de centrale gevangenis en ook zijn verblijf aldaar bracht voor de buitenwereld de gevangenis in beeld. Het ‘martelaarschap’ van Moineau werd in allerlei geschriften opgevoerd en hijzelf bracht tijdens meetings na zijn vrijlating het relaas over zijn tijd in de gevangenis. Het was de latere minister Vandervelde die als kamerlid de situatie van de anarchist onder de aandacht bracht. In de loop van een lang betoog maakte hij gewag van de weinig integere en zelfs sarcastische manier waarop Moineau door dokter Masion, toenmalig geneesheer-aliënst, werd bejegend. Maison zou hierdoor meerdere dagen de kranten halen. Voor Vandervelde was het lot van Moineau oon de aanleiding om onvolkomenheden van de wet van 1870 inzake de progressieve strafvermindering bij cellulaire detentie aan de kaak te stellen. Ook hierdoor stond Leuven Centraal, anders dan als penitentiair ideaal, in de volle aandacht.

 

Over de centrale gevangenis tijdens de eerste wereldoorlog is nog maar weinig geweten. Een weliswaar persoonlijk gekleurde, unieke bron voor het verleden van de gevangenis en tegelijk voor de oorlogsgeschiedenis van Leuven, is het autobiografische relaas van directeur Ernest Betrand dat hij in 1924 publiceerde in het blad “L ‘Ecrou”. Veel aandacht gaat naar de augustusdagen van 1914, waarbij in hoogoplopende spanning de komst van de Duitsers wordt afgewacht. Even wordt overwogen de gevangenis gewapend te verdedigen en voorbereidselen worden getroffen mocht de gevangenis in brand worden geschoten. Aangrijpend zijn de binnenkomende berichten over de totale vernieling van Leuven, over mishandelingen en burgerdoden waaronder ook naasten van gevangenispersoneel te lijden hebben. Bertrand komt alleszins naar voor als een sterke figuur die middels gewiekste onderhandelingen met de bezetter de gevangenis weet te vrijwaren van vernietiging, die talrijke gezinnen van personeelsleden in de gevangenis onder zijn hoede neemt en die er kennelijk in slaagt om via vindingrijke acties zowel de gedetineerden als de vluchtelingen blijvend van levensnoodzakelijke middelen te voorzien. De gezondheid van de gedetineerden zou met jaarlijks 5 tot 6 overledenen in de eerste jaren van de oorlog niet slechter zijn geweest dan in vredestijd. In 1917 waren er echter al 15 sterfgevallen en in 1918 steeg dit tot 46 - waaronder de Italiaanse anarchist Gennaro Rubino -   wat grotendeels werd verklaard door de Spaanse griep.

 

De oorlogsjaren brachten een paar onvermoede regimeveranderingen met zich mee. Vanaf 1915 verscheen elke zondag het door gedetineerden zelf geredigeerd blad “L‘Effort vers le Bien – Streven naar beter leven”.

met informatie over de gebeurtenissen in de buitenwereld en dit ter morele ondersteuning van gedetineerden en personeel. Tevens werd tijdens de oorlog een fanfare opgericht met 18 spelers.

 

De eerste statistieken inzake de recidive , twijfels over de fysieke en psychische gevolgen van de penitentiaire afzondering, het als asociaal en wereldvreemd bestempeld karakter van het regime en de onmogelijkheid om de individuele morele beïnvloeding optimaal in de praktijk te brengen waren voor de sceptice van de cellulaire gevangenis redenen om het systeem op de korrel te nemen. De strijd tussen de voor- en tegenstanders moet verbeten zijn geweest. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de hetze tussen de criticus Adolphe Prins en de fervente verdeiger van het systeem, Jean Baptist Stevens. Beiden stelden zich tijdens internationale congressen als kemphanen tegenover elkaar op. De vooruitstrevende visie van minister Lejeune en zijn pogingen om de sinds 1870 veralgemeende toepassing van het cellulair regime gedeeltelijk terug te draaien, brachten de protagonisten van het systeem zodanig in een egelstelling dat doortastende veranderingen uitbleven. Na de oorlog waaide door ’s lands bestuur een nieuwe wind, ook op penitentiair gebied. in de jaren’20 nam minister Vendervelde de gelegenheid te baat om een aantal vooroorlogse progressieve ideeën door te voeren met name door de gevangenis vrij te maken voor een wetenschappelijke inbreng en door de gemeenschappelijke arbeid in de voeren. Tevens werd onder zijn impuls het dragen van de hoofdkap facultatief, werd de beschikbaarheid van lectuur uitgebreid, werden de afzonderingen in kapel en klaslokalen weggehaald en werden de luchtingskooien vervangen door gemeenschappelijke wandelplaatsen. Tussen 1922 en 1928 werden in 10 gevangenissen, waaronder Leuven centraal, penitentiair - antropologische laboratoria ingericht. Samengesteld uit een geneesheer – antropoloog, een klerk en een bewaarder – meter werden ze opgevat als bijzondere medische diensten die de gevangenen aan een wetenschappelijk anatomisch, psychisch, later ook sociologisch en criminologisch onderzoek onderwierpen met het doel hen te oriënteren naar een specifiek regime met het oog op de individualisering van de penitentiaire behandeling.

 

Dit was echter buiten de waard gerekend van toenmalig Leuvens directeur Bertrand. hij zag de wetenschappelijke bemoeienissen als een fundamentele aantasting van de geesten het concept van het cellulair regime en van de visie op de gedetineerde die er aan ten grondslag lag. Hij ging zich dan ook als directeur van de centrale gevangenis en als voorzitter van de door hemzelf opgerichte Federatie van het personeel der strafinrichtingen gedurende een tiental jaren hardnekkig verzetten tegen de penitentiaire antropologie en zijn pleitbezorgers, tegen de gemeenschappelijke arbeid en tegen al het andere dat in zijn ogen het afzonderingssysteem kon bedreigen. Voor Bertrand kon de fysieke en mentale toestand van de gedetineerde trouwens even goed worden vastgesteld door de traditionele gevangenisartsen, de morele evolutie door het personeel, de directeur en de aalmoezenier. hij zag de penitentiaire laboratoria niet meer opleveren dan banaliteit, zogenaamde wetenswaardigheden die allang gekend waren en hij vond zelfs dat de onderzoeken leidden tot leugenachtige en bedrieglijke opstellingen van de gedetineerden. Volgens hem kon dan ook geen sprake zijn van specifieke regimes en individualiseringen – een van de bedoelingen van de penitentiaire antropologie – maar moest in de bejegening van elke gedetineerde uniformiteit heersen.

 

Wanneer Bertrand zodanig van leer trok tegen de penitentiare antropologie, dan zou men kunnen veronderstellen dat de verstandhouding met het personeel van het antropologisch laboratorium in zijn eigen Leuven Centraal alles behalve hartelijk moet zijn geweest. Dit moet wellicht worden gerelativeerd. Bertrand zou namelijk veel respect hebben gehad voor de persoon van de toen nog longe geneesheer-antropoloog Etiene de Greeff die later een van de ‘founding fathers’ zou worden van de Leuvense criminologie.

 

Diverse samenhangende redenen moeten aan de basis hebben gelegen van de aversie tegen (alleszins bepaalde strekkingen binnen) de penitentiaire antropologische beweging. Uiteraard bleven  de weersstanders vasthouden aan hun moralistisch-voluntaristische penitentiaire filosofie die haaks kwam te staan op een positivistisch wetenschappelijke benadering van de antropologen. Daarenboven zagen de verdedigers van de klassieke visie, zoals bij uitstek Bertrand, met de nieuwe invloeden een toenemende infiltratie vanuit vrijzinnige en socialistische hoek of zagen de penitentiaire idee bedreigd door een coalitie tussen het socialisme en de medische antropologie.

 

Het is pas nadat Ernest Betrand van het toneel verdween dat ook vanuit Leuven Centraal hervormingsgezinde standpunten werden ingenomen. De latere directeur, F. Colpé, die nog onder Bertrand tot het kaderpersoneel hoorde, verklaarde zich uitdrukkelijke voorstander van het progressief penitentiair systeem, bestaande uit 4 opeenvolgende fasen die zouden toelaten de verbetering te volgen en de re-integratie voor te bereiden. Dergelijke ideeën stonden echter haaks op de reële mogelijkheden. Zoals enkele jaren later door J. Henskens, wellicht een van de eerste ‘licentiaten in de criminele wetenschappen’ uitvoerig werd geanalyseerd, waren allerlei nieuwe methoden voor een verregaande individualisering in de centrale gevangenis gewoon niet mogelijk; het concept en de infrastructuur waren er niet op voorzien. De erfenis van Ducpétiaux was letterlijk in steen gestold en bleef duidelijk weerbarstig voor nieuwe visies en praktijken.

 

De verwachtingen voor een nieuwe penitentiaire era waren in die jaren toch hoog gespannen. Door toedoen van de ondertussen gevestigde penitentiaire antropologie ging men spreken van penitentiaire ‘behandeling’ en ontstonden allerlei ideeën en voorstellen over regimes en specifieke inrichtingen voor onderscheiden types en veroordeelden. Men gewaagde niet louter meer van ‘penitentiaire antropologie’, maar nu ook van psychiatrie, neurologie en endocrinologie, allemaal specialiteiten binnen het medisch domein die tot doel hadden zo goed mogelijk de fysieke en de mentale toestand van de gedetineerden vast te stellen, de strafuitvoering of penitentiaire behandeling te individualiseren en klasseringen door te voeren. De penitentiaire praxis volgde echter zeer ten dele de nieuwe visies en wetenschappelijke canons. Maar alleszins konden door de wet tot bescherming van de maatschappij van 1930, de inrichting van de strafscholen, van afdelingen voor lichaamszwakken, en de scheiding tussen primaire veroordeelden en recidivisten een honderdtal gedetineerden – waaronder ‘moeilijke’ categorieën – vanuit Leuven Centraal geheroriënteerd worden. Of de gedetineerden hiermee beter af waren blijft een open vraag. Voor de centrale gevangenis betekende dit dat de bevolking werd uitgedund tot een administratief-gerechtelijk homogenere groep gedetineerden (met een straf van 5 jaar of langer). Hierdoor werd een meer inschikkelijk en voor de toekomst specifiek regime in deze gevangenis mogelijk. Markant is wel dat toen in 1930 bij de antropologische laboratoria van 5 gevangenissen voor het eerst een aanvullende sociale dienst werd gecreëerd, dit niet in het geval was voor de nochtans belangrijke centrale gevangenis van Leuven. Opmerkelijk, maar misschien niet verwonderlijk, gezien de gekende houding van Bertrand.

 

Het einde van de 2e wereldoorlog luidde voor het Belgisch gevangeniswezen een aantal markante evoluties in. Voor Leuven Centraal mag men wellicht spreken van een tendens naar meer humanisering. De oorlogsjaren zelf en de tijd van de repressie blijven voor de geschiedschrijving van de centrale gevangenis nog grotendeels witte bladzijden. Alleszins werd de aanwezigheid van politieke gevangenen en verzetslieden nog gedurende enkele decennia actief in de herinnering gehouden. Vandaag zijn in de gevangenis, benevens een gedenkplaat, nog memorabilia aanwezig van deze periode. Kort na de oorlog speelde Leuven Centraal ook een rol in de repressie. Zoals gevangenen wegens verzetsdaden tijdens de oorlogsjaren, verbleven er achteraf sommige zogenaamde incivieken als het ware in een dodencel; enkele werden afgevoerd voor terechtstelling buiten de gevangenis; 10 veroordeelden, 2 vrouwen en 10 mannen, werden in de centrale gevangenis zelf geëxecuteerd door het vuurpeloton.

 

Nochtans brak met de beëindiging van de oorlog ook een tijd van loutering aan die wendingen teweeg bracht in de mens- en maatschappijvisie wat onder meer gevolgen had op penitentiair gebied. Er kwam internationaal een ware ‘rechtenbeweging’ op gang, die ondermeer werd toegespitst op de situatie van gedetineerden. Er zouden echter nog decennia overheen gaan alvorens door concrete initiatieven de normen inzake humane detentie van concrete situaties te toetsen en scherp te stellen. Ten tweede brachten de naoorlogse jaren een zekere ‘veramerikanisering’ met zich mee inzake sociaal en agogisch werk. De tijd was er nar om een ander ook in de gevangenissen te gaan toepassen. Ten derde was men door de massale toevloed van veroordeelden wegens de repressie genoodzaakt uit te kijken naar alternatieve beheerssytemen; onder druk van de omstandigheden vielen de weerstanden tegen het gemeenschapsregime weg.

 

Wat had deze naoorlogse context specifiek voor Leuven Centraal te betekenen? Door de verwijdering van de incivieken en door de reorganisatie van het gevangeniswezen in open, halfopen en gesloten inrichtingen, kwam letterlijk en figuurlijk ruimte vrij, wat een soepeler regime toeliet. Daar degenen die in de voorwaarden verkeerden werden overgeplaatst naar de penitentiaire school- en landbouwcentra daalde de populatie van 646 eenheden op 1 januari 1947 tot 227 op 1 januari 1955. Het regime werd in Leuven in de jaren ’50 concreet als volgt aangepast: op uitzondering van enkelen en weliswaar na observatie gedurende 3 maanden, genoten alle gedetineerden van het gemeenschapsregime overdag; de regel van zwijgen werd opgeheven in de werkhuizen en tijdens de wandeling; de hokken in de kapel werden afgebroken; behalve in geval van uitzonderlijk veiligheidsregime werd bezoek in zaal samen met de gezinsleden ingevoerd; dragen van een nummer werd afgeschaft en toelating tot roken verleend. Van deze aanpassingen werd verondersteld dat ze een betere observatie van de morele evolutie e wellicht ook van de sociabiliteit van de gedetineerden zouden mogelijk maken. Vanaf de jaren ’50 namen de faciliteiten voor sociaal – culturele en sportieve ontwikkeling in detentie gestadig toe met de mogelijkheid voor gedetineerden om een abonnement te nemen op in België uitgegeven dagbladen, de organisatie van filmvertoningen, de inrichting van 2 zalen voor gezelschapsspelen, de oprichting van een zangkoor, een fanfare en een klein orkest. In 1968 kwam er ook een toneelgroep. Van betekenis voor de eigenheid van de centrale gevangenis was dat voor ontspanning en vormende activiteiten een begin werd gemaakt met het engagement van ‘externen’, met name voor het aanleren van muziek en voor de regie van de toneelgroep. De beperkte infrastructurele capaciteit exploiterend werden sportterreinen aangelegd en werd volleybal de sport bij uitstek. in deze periode werd zowat dagelijks geoefend om op zondagmorgen wedstrijden te spelen. De beste ploeg kon 3 maal per jaar uitkomen tegen een bezoekersploeg van buiten de gevangenis. Reeds in 1953 was sprake van een ‘sporthoogdag’. Vanaf de naoorlogse jaren ging de overgrote meerderheid van de gedetineerden – medio de jaren ’50 zowat vier vijfden – werken in werkhuizen. De groepen waren echter zodanig samengesteld dat ongewenste contacten konden worden voorkomen. Een zestigtal gedetineerden was tewerkgesteld voor huishoudelijke taken en onderhoudswerken en een minderheid bleef werken op cel. De productiecapaciteit nam trouwens gevoelig toe. Op het einde  van de jaren ’60 beschikte de gevangenis over schrijnwerkerij, een smidse, een boekbinderij, een schoenmakerij, een kleermakerij, een mandenmakerij en een offsetdrukkerij.

 

In deze periode werd ook gezocht naar nieuwe werkvormen voor de bevordering van de sociabiliteit en de rehabilitatie en voor meer psychisch welzijn van de gedetineerden. Tekenend hiervoor waren de invoering van ‘welfare’ en de experimenten met de groupcounseling. Als een vorm van self-government is de “welfare’ kort na de oorlog ontstaan met gedetineerden – aanvankelijk incivieken – waaraan de organisatie van een aantal sociaal-culturele taken en sportactiviteiten in handen werd gegeven. in Leuven Centraal was de Welfaregroep samengesteld uit een zestigtal gedetineerden. Een comité van 5 (later 12) leden trad onder de leiding van de onderwijzer, in de ruimste zin dienstverlenend op voor de medegedetineerden, vergaderde wekelijks en deed voorstellen aan de directeur. De leden van het comité zaten gegroepeerd in vleugel F. Ze hadden een gunstiger bewakingsregime en relatief ruime bewegingsvrijheid binnen de gevangenis. De ‘welfare’ hield op te bestaan omstreeks 1976.

 

In de jaren ’60 en nog in het begin van de jaren ’70 heerste – althans in de discoursen – optimisme over de resocialisatiemogelijkheden binnen het penitentiair milieu. Men kwam er echter niet toe om de penitentiaire praxis te stroomlijnen vanuit een coherente resocialisatie.

 

Ook het terrein van de penitentiaire antropologie was aan veranderingen onderhevig. Na de 2e wereldoorlog bleek dat, ondanks de doctrine van de défense sociale nouvelle, de penitentiaire antropologie haar vooropgestelde rol inzake behandeling niet echt waar maakte. Zelfs tegen het antropologisch-diagnostisch onderzoek had dokter en haar hoogleraar Etienne de Greeff, vanuit een aantal decennia ervaring met gedetineerden te Leuven, zich in 1951 al afgezet. Volgens hem zocht de discipline haar finaliteit vooral in het wetenschappelijk gehalte van haar eigen methodieken, wat alleen maar resulteerde in geleerd – pedante overwegingen. Hij voerde een eigen observatieschema in en besteedde weel meer aandacht dan de aanvankelijke penitentiair-antropologen aan het psychologische luik van de diagnose. Als geneesheer-directeur van de penitentiair antropologische dienst richtte E. de Geeff in 1953 een ‘Penitentiair strafcentrum’ op dat zijn zetel han in de centrale gevangenis te Leuven.

 

Maar wanneer in 1971 in 9 instellingen, waaronder in Leuven, de bestaande antropologische diensten verder werden uitgebouwd tot een multidisciplinaire oriëntatie- en behandelingseenheid (O.B.E.) bleef – ondanks wat de benaming deed veronderstellen – de praktijk van deze instellingen hoofdzakelijk beperkt tot diagnose en advies over individuele dossiers, zoals inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling. Man kan zich voorstellen dat nogal wat personeelsleden meer in hun mars hadden en meer ambieerden voor de bejegening van gedetineerden. Het zag er echter naar uit dat tegen het begin van de jaren ’70, na nogal wat beloftevolle ideeën en experimenten, het gevangeniswezen zou terugplooien op een ‘no nonsense’ beheer en bestuur.

 

In de jaren ’70 was de centrale gevangenis onderhevig aan een aantal gebeurtenissen die nooit eerder gezien waren en die volgens waarnemers en betrokkenen een nieuwe fase inluidden. De maatschappijkritische tendensen die zich bijzonder kristalliseerden in een universiteitstad als Leuven deden een brede golfslag ontstaan die tot een instelling als de lokale gevangenis voelbaar was.

 

Wanneer op verzoek van minister van Justitie A. Vranckx in 1070 het penitentiair hoofdbestuur en de 6 voornaamste universiteiten een samenwerking aangingen voor de ontwikkeling van penitentiair wetenschappelijk onderzoek had men nog geen vermoeden van wat dit teweeg zou brengen. In de centrale gevangenis van Leuven vestigden zich een onderzoeksequipe van de KU Leuven en van de UCL. De projectonderzoekers, doctorandi en licentiaatsstudenten leverden onderzoeksmateriaal af over onder meer de beleving van de detentie, de psychologische effecten van de lange gevangenisstraf, over procedures en cruciale beslissingsprocessen en over de verschillende regimes waaraan individuele gedetineerden onderworpen waren. Anders dan de vroegere individueelklinische en de systeemondersteunende benaderingen vonden de nieuwe Leuvense wetenschappers inspiratie in veelal structuralistische en symbolisch-interactionistische paradigma’s die gefocust waren op controle- en disciplineringsmechanismen, op de betekenis voor samenleving en individu van regimes van gesloten instituties. Dit bewerkstelligde dan veelal een cinsequente penologisch-rductionistische visie.

 

Het annus horribilis 1976 blijft ongetwijfeld geboekstaafd als een mijlpaal, volgens sommigen een breekpunt of keerpunt, in de geschiedenis van Leuven Centraal. Na al wat spanningen de dagen ervoor en mogelijks als aanleiding de warme zomer van dat jaar, gingen op 21 juni de gedetineerden van alle werkhuizen en diensten in staking. Aanvankelijk sloten ook de bewaarders zich bij de actie aan. De beroering in de gevangenis zou zich nog uitstrekken tot in oktober. Onvrede en opstanden, in die periode zowel in het buitenland als in tal van Belgische gevangenissen, lagen, alleszins achteraf beschouwd, in de lijn der verwachtingen. Het discretionair op gunsten gebaseerd gevangenissysteem – de zogenaamde ‘betutteling’ – was natuurlijk haaks komen te staan op het groeiend zelfbewustzijn en de mondigheid van gedetineerden. Een gevangenis is niet zodanig een gesloten entiteit dat de kritische, democratiserende of emancipatorische tendensen er niet voelbaar zouden zijn. Maken de gebeurtenissen in Leuven Centraal deel uit van een ruime beweging van gevangenisopstanden, dan is wat zich in Leuven afspeelde van bijzondere betekenis in de penitentiaire geschiedenis omwille van het democratisch en niet-gewelddadig karakter van de acties en de campagne.

 

Bij wat zich in de jaren ’70 in Leuven Centraal afspeelde kan de vraag rijzen of het toenmalig eerder kritisch wetenschappelijk onderzoek en de contestatie wat met elkaar te maken hadden. We houden het hier bij de vaststelling dat zowel de toenmalige academische visies als de emancipatorische opstelling van de gedetineerden fenomenen waren te situeren in een zelfde democratiserende en maatschappijkritische context.

 

Het penitentiair beleidspad is vandaag niet met rozen bezaaid. De resocialisatie – zeker wanneer het gaat om persoonsnabije begeleiding van binnen naar buiten – loopt mank, sommige infrastructuren zijn niet meer van de tijd, in soms nieuwe of hernieuwde inrichtingen is een hedendaagse penologische (toekomst)visie moeilijk te onderkennen, en er is natuurlijk de overbevolking met alle gevolgen op psychisch en fysiek vlak van dien. Dit is hoe het systeem vandaag veelal overkomt. Het gevangeniswezen heeft er echter baat bij zich op te trekken aan vaak exclusieve voorbeelden. Weliswaar van op enige afstand kijkend, kan ik uit de talrijke goede praktijken van Leuven Centraal afleiden dat hier een beleid met een missie en een visie wordt gevoerd.

 

War dit beleid en regime concreet betekenen wordt elders in dit themanummer door directeur Guido Verschueren uitvoerig behandeld. Treffend zijn alleszins de krachtlijnen en de betrachtingen die we tijdens de voorbereiding van deze studiedag konden optekenen. Ze komen er op neer dat Leuven Centraal een plaats wil zijn voor een menswaardige, verdraaglijke detentietijd; dat tijdens het verblijf initiatieven worden genomen die bijdragen tot de mentale, culturele en fysieke ontplooiing van de gedetineerde; dat de gedetineerde wordt gesensibiliseerd om persoonlijke capaciteiten te ontdekken en te ontwikkelen en daardoor te groeien naar een hoger gevoel van eigenwaarde; dat vaardigheden worden geoefend die dienstbaar zijn na de detentie.

 

Deels gaat men hiermee in Leuven Centraal voort op weg die reeds vroeger was ingeslagen. Maar grotendeels was het vanaf de jaren ’80 of van net ervoor dat, zoals het opendeurregime initiatieven zijn genomen die uniek zijn gebleven voor gesloten inrichtingen. Met andere initiatieven was Leuven Centraal baanbrekend. Markant en slechts ten titel van voorbeeld, zijn in dit verband de vader-kind-werking (met o.a. de roefelzaal), de gemengde toneelwerking, de sportactiviteiten met verregaande fysieke prestaties, het aanleren van verfijnde culinaire vaardigheden met het verzorgen van recepties enz.

 

De gevangenis heeft haar hedendaagse missie, visie en karakteristieken te danken heeft aan een symbiose van gunstige factoren. Er zijn ten eerste de profielen van het personeel. Vanaf de 2e helft van de jaren ’70 raakten de klassieke, bestuurlijk opgeklommen directeurs geleidelijk aan vervangen door directeurs met een menswetenschappelijke universitaire vorming. Gelukkig kregen deze nog jonge directeurs in Leuven van hun lokale hoofddirecteurs en vanwege het hoofdbestuur kansen om creatief en vernieuwend aan de slag te gaan. Het kon niet anders dan dat hun bezieling en humanitaire ingesteldheid aanstekend werkte op ander kaderpersoneel en op penitentiaire beambten. Bovendien greep Leuven Centraal, waarschijnlijk als 1e gevangenis, de kans om middels BTK-projecten aan de slag te gaan met nieuwe sociale en psychosociale krachten. Ten 2e  heeft uitgesproken deze gesloten gevangenis spreekwoordelijk de deuren opengezet voor de buitenwereld. Leuven en omgeving zijn rijk aan diensten, professionelen en vrijwilligers die zich sociaal, cultureel, sportief en vormend in de gevangenis beschikbaar stellen. Ten 3e mag men ongetwijfeld spreken van een gunstige interactie tussen de gevangenis en de Leuvense universiteit met in het bijzonder het domein criminologie. De wetenschappelijke projecten, grensverleggende experimenten, de opdrachten van stagiairs, de inbreng van personeelsleden in de loop van opleidingen getuigen, zeker  doorheen de laatste 3 decennia, van een samenwerking waardoor gevangenis en academisch milieu elkaar gunstig hebben beïnvloed.

 

Bij deze vaststellingen moet men concluderen dat waar bezielde krachten met een visie aan het werk zijn, een basisstructuur va 150 jaar oud geen belemmering vormt voor een missie die te duiden is als de dagelijkse ‘(h)erkenning van de langgestrafte medemens’.