Het domein van de sociale zekerheid is het schoolvoorbeeld van de uitsluiting van gedetineerden uit de samenleving.

Het zou zelfs hier te ver leiden in detail in te gaan op de voor gedetineerden toepasselijke regelingen binnen de verschillende sectoren van de sociale zekerheid doch kan gesteld worden dat “.. de gedetineerde, in verregaande mate onttrokken is aan het sociale zekerheidsstelsel dat één van de grondslagen uitmaakt van de sociale rechtsstaat” (zoals vastgelegd in het eindverslag commissie ‘basiswet gedetineerden’ van Justitie).

 

Hierdoor vormt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf ook een veel radicalere uitsluiting dan met loutere tenuitvoerlegging van een door de rechter uitgesproken vrijheidsstraf in feite bedoeld wordt. Het is een niet bedoelde overbestraffing en een bron van detentieschade en staat daarbij haaks op het beginsel van de normalisering en beperkt de veroordeelde in zijn recht om aangesproken te worden p zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid. Ook beschuldigden, verdachten en beklaagden hebben hier een benijdenswaardige positie. De problematiek van de sociale zekerheid is inderdaad in die zin gelieerd aan het arbeidsregime dat de arbeid volgens de geldende reglementering terzake in beginsel de sleutel vormt voor de toegang tot de sociale zekerheid.

Het feit dat de gevangenisarbeid reeds van oudsher verplicht was voor de meeste veroordeelden (art 30ter Strafboek 1867) waardoor er ook geen sprake kon zijn van een arbeidsovereenkomst met betrekking tot gepresteerde penitentiaire tewerkstelling, maakte dat de gedetineerden behoudens wettelijk bepaalde uitzinderingen niet konden genieten van de sociale zekerheid zoals omschreven in art 21 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers – al waren en zijn gedetineerden er niet altijd van uitgesloten alleen om reden van het verplichte karakter van de arbeid (en het gebrek aan volwaardige arbeidsovereenkomsten). Ten tijde van het voorbereidend werk dat later zou gaan uitmonden in de Basiswet werd met andere woorden dan ook gesteld dat een “normalisering”van de sociale zekerheidssituatie van gedetineerden kon worden gerealiseerd via aanpassing van de detentiecontext geldende arbeidsregeling.

 

Door de geschiedenis heen werden aan de gevangenisarbeid verschillende doelstellingen (zowel punitief, economisch als reclasseringsgericht) toegeschreven waarbij het belang onder meer varieerde naargelang de onderliggende penlogische visie. Zoals in het verleden het geval was, kende ook de Basiswet geen enige en uniek betekenisverlenging toe aan de gevangenisarbeid. In het verlengde van het schadebeperkingsbeginsel het respecteringsbeginsel en het daarin besloten responsabiliseringsbeginsel en van de nagestreefde doelstelling bij de tenuitvoerlegging van de straf worden in art. 82 van de Basiswet enkele specifieke kwaliteitsnormen gesteld aan gevangenisarbeid die aan de gedetineerden ter beschikkingmoet worden gesteld.

Volgens dit artikel dient de penitentiaire administratie er zorg voor te dragen dat de arbeid beschikbaar gesteld wordt of kan worden die aan gedetineerden de mogelijkheid zou bieden om:

-          zinvol de detentietijd door te brengen

-          na invrijheidstelling hun geschiktheid tot een bestaansactiviteit te behouden, te bevorderen of te verwerven.

-          hun detentie te versachten

-          verantwoordelijkheid op te nemen in voorkomend geval ten aanzien van hun nabestaanden en slachtoffers

-          zo daartoe grond zou bestaan met het oog op herstel of in het perspectief van de reïntegratie schulden geheel of gedeeltelijk te betalen

Deze laatste functie werd mede begrepen in het licht van de bepalingen die waren opgenomen in het Voorstel van Basiswet in verband met inkomsten uit arbeid. In de finale tekst van de Basiswet wordt dan ook gesteld dat de gedetineerde zijn verantwoordelijkheid moet opnemen ten aanzien van de slachtoffers.