Sinds het begin van de beperkte invoering van de Basiswet, ook de wet Dupont genaamd, in januari 2007, is er heel wat verwarring gerezen omtrent de correcte invoering van art. 108. Artikel dat het “onderzoek aan de kledij” omschrijft en indien nodig, een ‘fouillering op het lichaam’ omschrijft. Voor de volledigheid geef ik dat bewuste artikel hier nog eens weer.......

 

Artikel 108.

Paragraaf 1.

De gedetineerde  mag wanneer dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid noodzakelijk is, aan zijn kledij onderzocht worden door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen.

Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.

 

Paragraaf 2.

Indien er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij van de gedetineerde niet volstaat om het doel, zoals omschreven in par. 1, tweede lid te bereiken, kan de directeur, bij afzonderlijke beslissing, een fouillering op het lichaam bevelen, zo nodig met ontkleding en het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam.

De fouillering op het lichaam mag enkel plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden en moet uitgevoerd worden door minimum 2 daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden van hetzelfde geslacht als de gedetineerde.

 

Paragraaf 3.

Het onderzoek aan de kledij en de fouillering op het lichaam mogen geen tergend karakter hebben en dienen te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de gedetineerde.

 

Paragraaf 4.

Indien bij een onderzoek aan de kledij of de fouillering op het lichaam van de gedetineerde voorwerpen of substanties worden aangetroffen die niet in het bezit van de gedetineerde mogen zijn, kunnen deze in beslag genomen worden en onder afgifte van bewijs van ontvangst ten behoeve van de gedetineerde bewaard worden, hetzij met diens toestemming vernietigd worden, hetzij ter beschikking gehouden van de bevoegde overheden met het oog op de voorkoming of vaststelling van strafbare feiten.

 

De Penitentiaire Administratie heeft daaropvolgend een schrijven verspreid, zijnde de Collectieve Brief nr. 86 (Document kan via de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur [B.S., 30 juni 1994] probleemloos door elke burger opgevraagd worden). Deze is wat mij betreft duidelijk in strijd met de wetgeving en zodoende ook onwettelijk. Dit werd onlangs  door het Hof van Beroep te Antwerpen ook als dusdanig omschreven, zie arrest 2009/RK/357 van 17 maart 2010. Om dit duidelijk te maken verwees het Hof van Beroep uitdrukkelijk naar de ‘Memorie van Toelichting’ (Parlementair stuk ‘DOC 50 1076/001’ ook opvraagbaar via de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. De ‘Memorie van Toelichting’ verwijst naar de vroegere nummering van de artikelen, dus enige oplettendheid is vereist [oud nummer 105 is nieuw nummer 108]), een document dat de wetgeving ter zake verduidelijkt. Om aan te tonen wat de wetgever uiteindelijk voor ogen heeft met art. 108, volstaat het dus enkele paragrafen uit die ‘Memorie van Toelichting’ weer te geven:

 

Gedetineerden moeten bijvoorbeeld bevelen van het personeel opvolgen (art. 103, par. 2), maar de wijze waarop deze gegeven en eventueel toegelicht worden zal de naleving ervan vergemakkelijken of bemoeilijken. Zo kunnen ook onderzoeken op het lichaam of doorzoeken van cellen als weinig eervol of zelfs als  vernederend worden ervaren, zowel door bewakers als door gedetineerden. De artikelen 105, paragraaf 3 en 106, paragraaf 1 bepalen dan ook dat deze controlemaatregelen geen tergend karakter mogen hebben en dienen te gebeuren met eerbiediging  van de waardigheid respectievelijk de persoonlijke levenssfeer van de gedetineerde.

 

Het onderzoek op het lichaam is evenwel een ingrijpender maatregel, die op zich reeds een aantasting van het eergevoel inhoudt. Deze mag zeker niet routinematig uitgevoerd worden en is slechts gerechtvaardigd wanneer ingevolge specifieke omstandigheden of vermoedens het onderzoek aan de kledij niet volstaat (art. 105, par. 2)

 

De intieme fouillering van gedetineerden is, sinds het drugprobleem zijn intrede heeft gedaan in de gevangenissen, een ingeburgerde praktijk geworden, alhoewel daarvoor bezwaarlijk een wettelijke grondslag voor gevonden kan worden, wat uiteraard in contrast staat tot de strenge wetgeving die in het Wetboek van Strafvordering het onderzoek aan het lichaam regelt (art. 90bis Sv).

 

Teneinde te vermijden dat een praktijk, die in de realiteit van de penitentiaire praxis in sommige gevallen als een noodzaak wordt beschouwd, zich in feite toch zou doorzetten, zonder enige wettelijke grondslag, leek het verkieslijker desbetreffende een beperkende regeling voor te stellen.

 

Artikel 105, par. 2, 1e lid, bepaalt thans dat indien er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij van de gedetineerde niet volstaat om het doel, zoals omschreven in par. 1, 2e lid, te bereiken, de directeur bij afzonderlijke beslissing een fouillering op het lichaam kan bevelen, zo nodig met ontkleding en het uitwendig schouwen (d.i. zonder aanraking van het lichaam, in welk geval gesproken zou moeten worden van het onderzoek aan het lichaam, dat door art. 90 bis Sv. wordt geregeld) van de openingen en de holten van het lichaam.

 

Er wordt verder in de tekst gepreciseerd dat dit onderzoek geen tergend karakter mag hebben, dient te gebeuren met maximaal respect voor de waardigheid van de gedetineerde (par. 3), en dat dit onderzoek enkel mag plaatsvinden in een besloten ruimte, bij afwezigheid van andere gedetineerden en door minimum 2 personen (daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden) van het zelfde geslacht als de gedetineerde (par. 2, 2e lid).

 

Art. 105, dit artikel regelt de controle van de gedetineerden op het bezit van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. Par. 1 regelt in dit verband het onderzoek aan de kledij en par. 2 de fouillering op het lichaam. In beide gevallen gebeurt dit onderzoek door daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden en met eerbiediging van de waardigheid van de gedetineerde. (par. 3).

 

Tussen onderzoek aan de kledij en fouillering op het lichaam bestaat een belangrijk gradueel verschil. Het onderzoek aan de kledij houdt in dat de kledij betast en doorzocht wordt met het doel na te gaan of de gedetineerde daarin of daaronder voorwerpen of substanties verborgen heeft die verboden of gevaarlijk zijn. in dat verband kan men een persoon wel van zijn overkleding (schoenen zijn geen kledij en moeten dus niet uit. Enkel trui en/of jas zijn toepasbaar.) laten ontdoen, zonder evenwel hem te verplichten zich te ontkleden tot op het lichaam. De fouillering op het lichaam is een maatregel die verder gaat. Deze maatregel laat niet alleen toe om de gedetineerde te verplichten zich tot op het lichaam te ontkleden, maar zelfs om de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen. De gedetineerde kan op grond hiervan uitgenodigd worden op zijn mond te openen en te tonen dat hij hierin verbergt, of om zich voorover te buigen opdat de fouilleerders door uitwendige schouwing zouden kunnen nagaan of hij tussen de dijen geen voorwerpen of stoffen verbergt die verboden of gevaarlijk zijn.

 

Tot zover de saaie teksten.

 

Het hof stelt vast dat het de expliciete bedoeling van de werkgever om met betrekking tot een in het gevangeniswezen ingeburgerde praktijk (de interne fouillering van gedetineerden) een beperkende regeling op te leggen.

 

Lezing van de voorbereidende werken op de Basiswet wijst uit dat het onderzoek van de kledij (waarvan sprake in art. 108 par. 1 van de Basiswet) inhoudt dat – zonder afzonderlijke gemotiveerde beslissing van de directeur – enkel de kledij betast en doorzocht mag worden met het doel om na te gaan of de gedetineerde daarin of daaronder voorwerpen of substanties verborgen heeft die verboden of gevaarlijk zijn. In dat verband kan men een persoon wel van zijn overkleding tot p het naakte lichaam.

 

Helaas kunnen we enkel vaststellen dat uitvoerende macht, zijnde in dit geval het penitentiair personeel het moeilijk  heeft om de nieuwe wetgeving correct toe te passen. Dit wordt ook als dusdanig omschreven door John Vanacker (ex directeur-generaal Penitentiaire Administratie), die het volgende zei:

 

Dingen worden gedaan zonder ze in vraag te stellen. Men doet het simpelweg omdat het altijd al zo is gedaan, zelfs als de situatie totaal is veranderd

 

“De herstelconsulenten in de gevangenis krijgen van het personeel ook vaak het antwoord dat ze de dingen zo doen omdat ze dat altijd al zo gedaan hebben, omdat het altijd zo is geweest”.

 

Besluit:

 

Het zou uiteraard wel leuk zijn mochten de penitentiaire instellingen, als uitvoerende macht, eindelijk eens doen wat de wetgevende macht hen oplegt. Dat ze gedurende decenia ‘boven’ de wet stonden, is geen geldige uitvlucht. De Basiswet van 12 januari 2005 is er nu, werk dan conform deze wetten, althans deze artikelen welke al van toepassing zijn.

 

Het penitentiair personeel zal zeker de ‘orde’ en ‘veiligheid’ inroepen om een grondige controle mogelijk te maken. Persoonlijk heb ik daar geen enkel probleem mee, en zou dus het volgende willen voorstellen:

 

Men plaatst de beruchte ‘fullbody scanners” en iedereen die het goed voor heeft met de ‘orde’ en ‘veiligheid’ kan op vrijwillige basis beslissen het gebruik ervan toe te laten, daar dot momenteel, gezien de wet op de privacy en zo, niet toegelaten is. Persoonlijk ben ik voor het correct toepassen van ALLE wetgeving, maar in dit geval zou ik probleemloos deze regeling aanvaarden. Zij die dit niet aanvaarden, zijn ofwel strikter, nog principiëler dan mezelf, ofwel hebben ze inderdaad iets weg te steken. en zouden op basis van ‘individuele aanwijzingen’ een onderzoek op het lichaam kunnen uitlokken.

 

Een soortgelijke regeling is al van toepassing voor de Drugsvrije afdeling (cfr urinecontrole)  en kan dus zeker overwogen worden.

 

De vraag is natuurlijk hoe het systeem hiermee zal omgaan, en hiermee bedoel ik uiteraard de directie en het personeel. Ofwel doet iedereen hier aan mee, ofwel heeft `orde´ en ´veiligheid´ totaal geen zin.

 

Als afsluiter wil ik toch nog het volgende meegeven, citaat komende uit het boek ´De zaak Justitie´ van Mr. Walter van Steenbrugge:

 

´Het is overigens niet moeilijk om verdovende middelen uit de gevangenissen te houden. Zet naast de metaaldetector een drugshond, en de zaak is geregeld. Waarom gebeurt dat niet= Geld kan niet de verklaring zijn, want die ene hond zal het verschil niet maken. Een dozijn blikken Bonzo of Pal Plus, dat moet de begroting van Directoraat – Generaal van de Penitentiaire Inrichtingen kunnen dragen. Nee, die honden zijn ongewenst omdat men stiekum de ogen dichtknijpt voor de hele handel. Het komt de gevangenisdirecties namelijk goed uit dat driekwart van de gedetineerden stoned rondloopt. Haal de drugs uit de gevangenis, en de boel ontploft.

Er bestaan overigens nog andere chemische trucs om de gemoederen te bedaren en opstandige geesten te verdoven. In Mechelen bijvoorbeeld gooien ze de valiumpillen met handenvol door de tralies. Medisch gezien niet koosjer, maar het schijnt te helpen om de kudde in bedwang te houden’.