Het beleid dat in de Centrale Gevangenis van Leuven in de periode na de grote zomerstaking van 1976 werd uitgevoerd, wordt beschreven aan de hand van enkele uitgangspunten, die bepalend zijn geweest voor de regimeontwikkeling. Wat is de achterliggende visie, die Leuven centraal gemaakt heeft tot wat zij nu is? Drie grote uitgangspunten worden achtereenvolgens toegelicht: aandacht voor de gedetineerde als mens en zijn menselijke waardigheid, een zinvolle detentie, die tevens reintegratiebevorderend is en tenslotte maximale betrokkenheid van de samenleving.
Het is de bedoeling n deze bijdrage terug te blikken op het beleid dat de afgelopen decennia in de Centrale Gevangenis van Leuven werd gevoerd. Leuven Centraal is een inrichting, die gekenmerkt wordt door een populatie van vooral langgestraften waarvoor een regime werd ontwikkeld dat specifiek is afgestemd op een langdurige detentie. Wij willen stilstaan bij de periode die na de grote zomerstaking van 1976 een aanvang heeft genomen. In de nasleep van de gebeurtenissen van ’76 werden haast spontaan, in de hand gewerkt door de omstandigheden, de 1e bouwstenen van het opendeurregime gelegd; een regime dat in de jaren nadien geleidelijk aan en gedragen door het personeel verder werd ontwikkeld. Meer dan 30 jaar later bestaat dit regime nog steeds. Slechts af en toe werden aanpassingen doorgevoerd. Een opendeurregime betekent dat voor de overgrote meerderheid van de veroordeelden tijdens het grootste deel van de dag de celdeuren openstaan. De gedetineerden, die elk steeds een individuele cel hebben, mogen zich vrij bewegen in de vleugel waar zij hun cel hebben, zij mogen ook bij elkaar op cel gaan. Enkel voor deelname aan toegelaten activiteiten mogen zij de eigen vleugel verlaten. Een beperkt aantal gedetineerden kan voor korte of langere tijd niet deelnemen aan dit basisregime. Het gaat om nieuwe gedetineerden tijdens de eerste 3 weken en om gedetineerden, die omwille van veiligheids- of disciplinaire redenen, maar ook uitzonderlijk op eigen verzoek worden uitgesloten van deelname van het opendeurregime. Het tijdens de bedoelde periode gevoerde beleid willen wij beschrijven aan de hand van enkele uitgangspunten, die bepalend zijn geweest voor de regimeontwikkeling. Wat is met andere worden de achterliggende visie, Die Leuven Centraal gemaakt heeft tot wat zij nu is? Wij hebben geprobeerd deze visie te vatten in 3 uitgangspunten, die achtereenvolgens worden toegelicht en geëxpliciteerd. Het beleid van de Centrale Gevangenis wordt al decenialang gedomineerd door een grote betrokkenheid op de gedetineerde als mens in zijn concrete leefsituatie. Een leefsituatie, die moet beantwoorden aan de hedendaagse basisstandaarden inzake welvaart en welzijn en die tevens recht doet aan zijn menselijke waardigheid. Dit houdt niet alleen in dat de materiële leefomstandigheden dienen geoptimaliseerd te worden, maar ook dat er oog moet zijn voor het welzijn va de gedetineerden. Wat betekent dit nu concreet? De humanisering van de strafuitvoering was, zeker in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw, in het Belgisch gevangeniswezen een belangrijk objectief. Hiermee werd bedoeld dat geprobeerd wordt aan de strafuitvoering een meer humaan karakter te geven. Humanisering heeft tot doel de strafuitvoering in meer menselijke en menswaardige omstandigheden te laten plaatsvinden. Uiteindelijk moet het de bedoeling zijn de kwaliteit van het leven in detentie en het welzijn van de gedetineerdenvoortdurend te verbeteren. Deze humanisering en dit welstreven zijn steeds het belangrijkste leidmotief geweest dat richting en inhoud heeft gegeven aan het lokale beleid. Bij het uitstippelen werd in Leuven Centraal expliciet uitgegaan van wat beleidsmatig het principe van het inclusief welzijnsbeleid wordt genoemd. Wat wordt hiermee bedoeld? In een samenleving is er niet alleen een aparte welzijnssector om zich bezig te houden met het welzijn van de burgers; ook de zogenaamde basisinstituties van die samenleving – denk bijvoorbeeld aan onderwijs, gezondheidszorg en tewerkstelling – moeten vanuit een welzijnsperspectief uitgebouwd worden. Dit principe van het inclusief welzijnsbeleid kan ook toegepast worden op de gevangenis als minisamenleving. Een maatschappij in zakformaat, waarin ook specifieke welzijnsdiensten daadwerkelijk bezig zijn met het welzijn van de gedetineerden. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de centra voor algemeen welzijnswerk, die actief zijn binnen de strafinrichtingen. Maar ook de basisinstituties van de gevangenissamenleving, zoals bezoek, tewerkstelling, vrijetijdsbesteding, enz. – eigenlijk hebben wij het dan in gevangenistermen over regimeaspecten – dienen vanuit een welzijnsperspectief georganiseerd en uitgebouwd te worden. Dit consequent in praktijk brengen is allesbehalve evident en botst regelmatig op materiële, infrastructurele, personele en veiligheidsproblemen, die meteen ook de grenzen van dit welzijnsstreven kunnen bepalen. Desalniettemin werd en wordt dit nog steeds bewust nagestreefd. Belangrijk hierbij is te onderlijnen dat in het recente verleden – vooraleer er sprake was van de basiswet gevangeniswezen – het in de 1e plaats de gevangenisdirecteur was, die het beleid binnen de inrichting in grote mate bepaalde. De basis van het gevangenisregime werd immers gelegd door het Algemene Reglement van de Strafinrichtingen, dat werd ingevoerd door het koninklijk besluit van 21 mei 1965. Dit besluit kan beschouwd worden als een soort kaderreglement, dat zich ertoe beperkte de voornaamste regels, onder andere betreffende het regime waaraan de gedetineerden onderworpen zijn, te bepalen. Met dit algemeen reglement werd beoogd enkel de algemene lijnen van de gevangenispraktijk vast te leggen, zodat ruimte openbleef om de vormgeving van de vrijheidsberoving plaatselijk te bepalen. Binnen en algemeen geldend kader werden ruime bevoegdheden gegeven aan de directeurs om lokaal het regime binnen hun inrichting uit te bouwen. De mate waarin regimeaspecten – die zogenaamde basisinstituties van de gevangenis als minisamenleving – al dan niet welzijnsgeïnspireerd uitgebouwd zijn, werd dan ook in sterke mate bepaald door de directeur. Het kan niet voldoende beklemtoond worden dat in Leuven Centraal van deze bevoegdheid om lokaal vorm te geven aan een specifiek gevangenisregime, afgestemd op langgestraften, maximaal gebruik werd gemaakt. Ondertussen werd de basiswet gestemd en werd gestart met de geleidelijke implementatie ervan. Dit nieuwe wettelijke kader stemt ons gelukkig, onder meer omdat wij in deze wet een bevestiging vinden van hetgeen in Leuven Centraal de voorbije periode probeerden te realiseren. Wanneer wij immers de basiswet doornemen, dan is voor ons het respect voor de menselijke waardigheid van de gedetineerde de rode draad doorheen de tekst. In die zin durven wij stellen dat in Leuven Centraal al geruime tijd gepoogd wordt te werken in de geest van wat later de basiswet voor ogen had. Wat dit in de praktijk betekent, kan aan de hand van een voorbeeld worden geïllustreerd. Contact en dialoog met de gedetineerde via alle geledingen van het personeel staan in onze inrichting centraal in de benadering en de bejegening van de gedetineerde. Dit alles vanuit de overtuiging dat gesprek en dialoog heel veel problemen kunnen voorkomen en oplossen. De gedetineerde weet dit te appreciëren omdat hij als menselijk subject en niet als object wordt benaderd. De gedetineerde stimuleren om zich als een volwassen burger uit te spreken en te verwoorden wat hem bezighoudt, hem au sérieux nemen in wat hij te zeggen heeft en hem niet bij voorbaat afwijzen omdat hij maar een gedetineerde is. zijn niet alleen uitgangspunten die hun vruchten afwerpen, maar die de gedetineerde nadrukkelijk in zijn mens-zijn bevestigen. Wanneer het welzijn van de gedetineerde een centraal beleidsthema is, dan kan niet voorbijgegaan worden aan zijn affectieve relaties, die een belangrijke impact kunnen hebben op zijn subjectief welbevinden. Wij gaan ervan uit dat familie en vrienden een belangrijke rol spelen in zijn huidig maar ook in zijn toekomstig welzijn, wanneer de gedetineerde terug vrij is. Bijzondere aandacht wordt daarom besteed aan het bezoek en vooral aan de manier waarop dit kan verlopen. Wij trachten bezoekers als volwaardige partners in het geheel te beschouwen, voor wie de opsluiting van een dierbare meestal ook niet zonder pijn en smart verloopt. Wij gaan er tevens vanuit dat deze voor de gedetineerde bijzonder relevante personen per definitie onschuldige burgers zijn, die ook onze klanten zijn die van ons als overheidsdienst een behoorlijke bejegening mogen verwachten. Allerlei initiatieven worden genomen om het bezoek in humane condities te laten plaatsvinden, om hierdoor de affectieve banden tijdens de detentie maximale overlevingskansen te geven en effectief bij te dragen aan het welzijn van de gedetineerde en zijn directe omgeving. Een kindvriendelijke bezoekzaal met animatie en met de mogelijkheid voor het organiseren van een verjaardagsfeestje, een jaarlijks sinterklaasfeest, een valentijnsdiner voor de partners, Moederdag voor de moeders van gedetineerden en een familiedag zijn enkele initiatieven, die alle betrokkenen proberen te erkennen in hun rol als vader, moeder, partner, kind en vriend maar die tevens kunnen bijdragen tot het verhogen van ieders persoonlijk welzijn. Deze voorbeelden zijn eveneens een indicatie voor de wijze waarop geprobeerd wordt een regime aspect meer welzijnsgericht uit te bouwen. Bij dit alles is een belangrijke rol weggelegd voor het personeel dat rechtstreeks met bezoekers in aanraking komt. Portiers en andere medewerkers, die betrokken zijn bij dit soort activiteiten, kunnen daadwerkelijk het verschil maken, kunnen dat bezoekers ‘zich’ thuis voelen, dat zij ervaren dat zij welkom zijn en dat grote zorg besteed wordt aan de manier waarop hun dierbaren hun detentie ondergaan. Wanneer Leuven Centraal op dit vlak een gunstige reputatie geniet, is dit niet alleen het resultaat van een bewuste beleidskeuze, maar vooral ook van de geëngageerde inzet van een groep enthousiaste medewerkers, die overtuigd zijn van het belang en de positieve effecten van een dergelijke aanpak en daarom ook bereid zijn een voortrekkersrol te vervullen. De directie is er nooit van uitgegaan dat een gevangenisopsluiting een gedetineerde per definitie ‘beter’ kan maken. Misschien is dit wel een veel te hoog gegrepen ambitie. Wanneer wij er daarentegen in slagen een gedetineerde op een bepaald moment vrij te laten gaan zonder al te veel wrok, zonder al te veel rancune ten aanzien van een negatieve periode in zijn leven, dan mag deze detentie als een ‘succes’ worden bestempeld. Ook dit is steeds een achterliggende beweegreden van het gevoerde beleid geweest. De vraag is dan hoe deze finaliteit het best kan gerealiseerd worden. Wij twijfelen er niet aan dat hetgeen hierboven werd geschreven over de aandacht voor de gedetineerde als mens en zijn menselijke waardigheid hieraan reeds in heel sterke mate kan bijdragen. Maar er is meer mogelijk. Laat ons niet vergeten dat in de Centrale Gevangenis enkele honderden gedetineerden verblijven, die meestal tot zware straffen werden veroordeeld. Een jarenlange opsluiting is voor velen van hen dan ook een realiteit. Een zinvolle detentie aanbieden, die bovendien kan bijdragen tot een geslaagde reclassering is een van de grote doelen, die de directie zich stelt. Door het leefpatroon van de buitenwereld na te bootsen met werk of dagopleiding en daarnaast vrijetijdsmogelijkheden, kan een structuur worden aangeboden die en gedetineerde misschien wel nodig heeft om een jarenlange detentie probleemlozer, met minder detentieschade door te komen en die bovendien bijzonder relevant is voor het latere leven in vrijheid, waar ook van hem een gestructureerd leven wordt verwacht. Naast de gevangenisarbeid in al zijn facetten resten de gedetineerden iedere dag en tijdens de weekends en andere vrije dagen nog heel wat uren zogenaamde ‘vrije tijd’. Een zinvolle vrijetijdsbesteding is dan ook van elementair belang voor hun psychisch welzijn: niet alleen om hen te helpen de detentietijd te overleven, maar ook omdat de gedetineerden langs deze weg bij zichzelf soms onvermoede mogelijkheden gaan ontdekken om zich op een persoonlijke en constructieve manier te uiten. Daarom is het beleid in de Centrale Gevangenis erop gericht, binnen de grenzen van wat in de gegeven omstandigheden te verwezenlijken is en met respect voor ieders voorkeur, gedifferentieerd aanbod inzake vrijetijdsbesteding samen te stellen. Dit wordt concreet vertaald in een zo ruim en gevarieerd mogelijk activiteitenpalet inzake sport, ontspanning, vorming en onderwijs, maar ook bibliotheek e het hierbij aansluitende cultuuraanbod. Dit alles in de hoop dat zo veel mogelijk gedetineerden hun gading kunnen vinden. Hierbij wordt ook expliciet geprobeerd minder voor de hand liggende paden te betreden: niet alleen de populaire cultuur maar ook de meer verheven geachte cultuurvormen komen aan bod. Zowel de laaggeschoolde als de meer intellectueel gevormde gedetineerde moet interessedomeinen kunnen vinden: een voordracht over Franz Kafka of een klassiek concert moet net zo goed tot het aanbod kunnen behoren als een frivool optreden van Wendy van Wanten. Voor ieder wat wils, net zoals dat in de vrije maatschappij het geval is. Een gevangenis met een zeer ruim vrijetijdsaanbod nodigt de gedetineerde vaak uit tot het maken van keuzes. Hij heeft de vrijheid te kiezen of hij wil deelnemen en zo ja, waaraan. Ook in de vrije samenleving moet de burger voortdurend gelijkwaardige keuzes maken. Alle dagen staan activiteiten op het programma, die elkaar regelmatig overlappen. Het is aan de gedetineerde om te beslissen waaraan hij wil deelnemen. Dit kan een leerproces inhouden dat hem later in vrijheid van pas kan komen. Deelnemen of niet, in een gevangenis met een opendeurregime is de motivatie om te participeren meestal ‘zuiverder’ dan in een inrichting met een meer gesloten systeem. Een gedetineerde moet immers niet deelnemen aan een activiteit om uit zijn cel te zijn of om andere gedetineerden te ontmoeten. De celdeuren staan open, in Leuven Centraal veronderstelt deelname een meer bewuste keuze, die in alle vrijheid genomen kan worden. Oneigenlijke motieven spelen nauwelijks een rol. Over het algemeen kan gesteld worden dat in een opendeurregime een gedetineerde deelneemt omdat de activiteit als zodanig zijn belangstelling geniet. Precies omdat de deelnemers beter gemotiveerd en meer geïnteresseerd zijn, doen zich tijdens het verloop ervan weinig problemen voor. Het nadeel aan een dergelijk systeem is dat sommige gedetineerden moeilijker te bereiken zijn door initiatieven, die nochtans – objectief gezien – voor hun persoonlijke ontwikkeling of voor hun reclassering belangrijk kunnen zijn. In een dergelijke context zijn motiveren en stimuleren van gedetineerden door voor hen relevante personen van vitaal belang. Vaak kan een extra stimulans van een medewerker waarin de gedetineerde enig vertrouwen stelt het verschil maken tussen deelnemen of niet. Een zinvolle vrijetijdsbesteding als essentieel onderdeel van een eigentijds gevangenisregime werd reeds meer dan 30 jaar geleden door de directie hoog in het vaandel gedragen. Jonge directeurs hebben het destijds tot hun kerntaak gerekend het initiatief te nemen en persoonlijk bij te dragen aan de ontwikkeling van een vrijetijdsaanbod. Wanneer zij het niet deden, gebeurde er immers niets. In tijden dat de staathervorming nauwelijks in haar kinderschoenen stond, toen van een samenwerkingsakkoord tussen Justitie en de Vlaamse Gemeenschap, laat staan van het Strategisch Plan ‘Hulp- en dienstverlening voor gedetineerden’ nog geen sprake was, was de directie met deze materie al intensief bezig. Het was toen de evidentie zelf; iets dat helemaal niet ter discussie stond. Ook het feit dat begin de jaren ’80 een administratieve medewerker fulltime als verantwoordelijke van een sport- en ontspanningsdienst werd aangesteld, vormt een indicatie voor het belang dat toen reeds aan dit regimeaspect werd gehecht. Een zinvolle detentie nastreven, betekent vaak gedetineerden nieuwe kansen aanreiken, nieuwe mogelijkheden leren ontdekken. Tot de vaststelling komen over capaciteiten of vaardigheden te beschikken, die door de omgeving sterk worden geapprecieerd, kan een gedetineerde deugd doen, is belangrijk voor zijn gevoel van eigenwaarde en versterkt het zelfvertrouwen van iemand, die in het verleden van enkel in negatieve zin scoorde. Eindelijk een diploma behalen, uitblinken als een degelijk voetballist, schitteren als toneelacteur, succes oogsten als amateurkunstenaar, het zijn slechts enkele voorbeelden die kunnen voortvloeien uit de ruime mogelijkheden die de inrichting te bieden heeft. Een gedetineerde worstelt tijdens zijn opsluiting soms ook met allerlei vragen over zichzelf, over de feiten en ook over de slachtoffers. De feiten een plaats in zijn leven kunnen geven, kan een sterke impact hebben op iemands verdere toekomst. Hierover kunnen praten in een context die als niet bedreigend wordt ervaren, met mensen die de gedetineerde uitkiest en waarin hij vertrouwen stelt, is wenselijk en heeft in Leuven Centraal de nodige aandacht gekregen. Herstelgerichte detentie als beleidsthema, dat slachtoffers tijdens het voorbije decennium voor het eerst structureel binnen de strafuitvoering een nadrukkelijke plaats heeft gegeven, werd en wordt ook binnen de muren van Leuven Centraal sterk gepromoot en heeft haar effect niet gemist. Zo wordt de slachtofferproblematiek via allerlei vormingsinitiatieven – zoals bijvoorbeeld de cursus ‘Slachtoffer in beeld’ – expliciet ter sprake gebracht. Ook de herstelbemiddeling tussen dader en slachtoffer via een gespecialiseerde dienst is nu mogelijk en vormt de laatste jaren geen uitzonderingmeer. Het lijdt geen twijfel dat ook dit nieuwe accent extra zin kan geven aan een detentie. Uit de aard van de zaak is de gevangenis een van de buitenwereld afgesloten ruimte. Leuven Centraal mag dan wel een opendeurregime kennen, de inrichting zelf behoort tot het gesloten type van strafinrichtingen. Toch werd steeds geprobeerd de buitenwereld maximaal te betrekken bij hetgeen zich binnen de muren van Leuven Centraal afspeelt. Dit is reeds jarenlang een bewuste beleidskeuze, ingegeven door de wetenschap dat gedetineerden vroeg of laat weer deel gaan uitmaken van die samenleving. De link ermee moet bewaard blijven omdat deze band cruciaal is om gedetineerden, eens vrij, terug makkelijker hun plaats in de vrije maatschappij te laten innemen. Het is onze overtuiging dat hun maatschappelijke re-integratie hierdoor kan worden bevorderd. Daarnaast is het eveneens belangrijk dezelfde maatschappij te sensibiliseren voor de detentieproblematiek en te werken aan de totstandkoming van een meer genuanceerde beeldvorming over gedetineerden en de problemen waarmee zij geconfronteerd worden. Hopelijk kunnen gedetineerden op die manier na hun vrijlating op meer begrip en steun rekenen waardoor een positief reclasseringsklimaat in de hand wordt gewerkt. Hoe wordt dit in de praktijk geconcretiseerd? Er is vooreerst het vrijwilligerswerk. Een vrijwilliger in de gevangenis is immers iemand die de verbondenheid met de samenleving belichaamt. De vrijwilliger legt door zijn regelmatige aanwezigheid de band met de vrije maatschappij. Het feit dat het hier gaat om een vrije burger, die beroepshalve niets te maken heeft met het justitieel apparaat, is van bijzonder grote betekenis. De vrijwilliger levert het bewijs dat gedetineerden toch meetellen en niet door iedereen zijn afgeschreven, dat er nog steeds burgers zijn die zich daadwerkelijk voor het interesseren. Het vrijwilligerswerk kan allerlei vormen aannemen. Er is traditioneel het bezoeken van gedetineerden, waarbij uiteraard kan gedacht worden aan de inzet van de leden van het beschermcomité dat in Leuven Centraal nog steeds springlevend is. Ook het als vrijwilliger betrokken zijn bij allerlei vrijetijdsactiviteiten zoals bijvoorbeeld amateuractrices bij de werking van het plaatselijke toneelgezelschap mag niet onvermeld blijven. Welke vorm het vrijwilligerswerk ook aanneemt, steeds weer staat de menselijke ontmoeting tussen de vrije en de opgesloten burger centraal. Deze vrijwilligers maximale kansen geven om hun engagement ten volle en in optimale omstandigheden in het belang van de gedetineerden te kunnen ontplooien, is nog steeds een thematiek, die de directie hoog in het vaandel voert. Sedert het najaar van 2008 wordt ook in Leuven Centraal een aanvang genomen met de implementatie van het Strategisch Plan. Een Strategisch Plan dat vooropstelt dat ook gedetineerden zich ten volle in de samenleving moeten kunnen ontplooien en dat het aanbod aan hulp- en dienstverlening dat in de brede samenleving voorhanden is, beschikbaar wordt gemaakt voor zoveel mogelijk gedetineerden. Laat het duidelijk zijn dat dit nu precies de visie is van waaruit binnen Leuven Centraal reeds jaren wordt gewerkt. Sedert lang en in ieder geval veel langer dan er sprake is van het Strategisch Plan, wordt geprobeerd externe diensten en voorzieningen binnen de gevangenis te brengen en hun activiteiten te aten ontplooien. Wij hebben niet zitten achten op de inspanningen van de Vlaamse Gemeenschap. Vanuit een doelbewust welzijnsperspectief en als resultaat van inspanningen, gespreid over enkele decennia, zijn wij erin geslaagd een aanbod te realiseren, dat het latere Strategische Plan voor ogen heeft en dat probleemloos elke vergelijking kan doorstaan met dat van een gevangenis waar het Strategisch Plan reeds langer werd geïmplementeerd. VDAB, basiseducatie, stadsbibliotheek, CAW, vormingswerk, centra voor volwassenenonderwijs en andere voorzieningen hebben reeds jaren een baste stek weten te verwerven binnen onze muren. De komst van het Strategisch Plan betekende aanvankelijk vooral ernaar te streven onze werking te integreren in de nieuwe structuren die ons vanuit het Strategisch Plan worden aangereikt. Wij mogen stellen dat deze overgang haast probleemloos is verlopen. De inrichting vormt immers een bijzonder gunstige voedingsbodem voor een plan waarvan de bedoeling reeds jaren door het lokale beleid wordt nagestreefd. Het Strategisch Plan geeft ons zeker nieuwe mogelijkheden om nog een stap verder te gaan, om leemten op te vullen, om nog betere kwaliteit af te leveren, om uiteindelijk een meerwaarde te creëren. De 1e resultaten zijn alleszins veelbelovend. De deuren van de Centrale Gevangenis hebben de voorbij periode vaak opengestaan. Duizenden burgers hebben de mogelijkheid gehad om op een of andere manier, summier of meer uitgebreid, kennis te maken met de inrichting. Elke zomer komen honderden sporters zich in voetbal- en volleybalmatchen met sportieve gedetineerden. Jaarlijks kunnen meer dan 600 burgers een toneelopvoering bijwonen. Elk academiejaar krijgen honderden studenten via een uitgebreide rondleiding een inkijk in de werking van de inrichting. Talloze stages en onderzoeken van universiteiten en hogescholen vinden plaats. Een initiatief zoals ‘Kaffe detinee” vormt voor inwoners van Leuven een meer gestructureerde mogelijkheid om de gevangenis en haar bewoners te leren kennen. De inrichting treedt ook regelmatig naar buiten met een tentoonstelling van creatieve werken van gedetineerden, die onder andere ook als bedoeling heeft de beeldvorming rond gedetineerden te beïnvloeden. Ook voor de media staan de deuren steeds verder open. Kortom, talrijk zijn de initiatieven, die als effect kunnen hebben dat bij buitenstaanders het besef groeit dat een gevangenis ook een leefgemeenschap is, waarin mensen proberen, zij het noodgedwongen en binnen strakke kaders, met elkaar samen te leven en waarbij heel wat positief menselijke aspecten aan bod komen.