Leuven-Centraal bestaat 150 jaar. Het heeft in die periode een hele evolutie doorgemaakt, gekoppeld aan veranderende inzichten over de effecten van vrijheidsberoving op eenieder die ermee in nauw contact komt: gedetineerden, hun families, het personeel,… Hoewel er ook onderzoek is gebeurd naar de beleving van de cellulaire opsluiting in de 19e eeuw, zal ik mij toespitsen op de gevangenis van de laatste periode, nl. na de Tweede Wereldoorlog. Het is vanaf die periode dat het sociologische, en later psychologische onderzoek naar de realiteit en de effecten van de vrijheidsberoving tot ontplooiing komt. Maar gevangenissen evolueren ook onder invloed van demografische, socio-economische, culturele, politieke wijzigingen in de samenleving. Deze bijdrage wil kort stilstaan bij de wetenschappelijke inzichten in de beleving en de effecten van de vrijheidsberoving nu, 150 jaar na de oprichting van Leuven-Centraal, voor gedetineerden en personeel.

Gevangenissen zijn bijzondere sociale instituties. Goffman omschrijft ze als één van de vormen van totale instituties, gekenmerkt door het feit dat de bewoners, in tegenstelling tot wat ze doen ‘buiten’ de verschillende deelaspecten van het dagelijkse leven zoals werken, slapen en vrijetijdsbesteding, moeten verrichten op éénzelfde plaats en onder éénzelfde gezag, in het gezelschap van mensen die ze niet gekozen hebben, en volgens een gestructureerd schema van activiteiten dat door het personeel opgelegd wordt via formele regels. Totale instituties worden gekenmerkt door een fundamenteel onderscheid tussen de grote groep bewoners die controle staan en de kleine groep superviserend personeel. Gevangenissen verschillen bovendien van andere totale instituties omdat hun primair doel niet het welzijn van de bewoners nastreeft, zoals bv. in homes voor bejaarden of zieken, maar het beschermen van de maatschappij tegen deze bewoners. De daaruit voortvloeiende veiligheidsvereisten bepalen fundamenteel het dagelijks leven in een gevangenis. Gevangenissen beogen totale controle over het leven van de gedetineerden en zijn gekenmerkt door hiërarchie, routine, bureaucratische categorisering en segregatie, rituelen van degradatie en initiatie via processen van ‘role stripping’ (verlies van de verscheidenheid aan speciale rollen in de buitenwereld en vervanging door de rol van ‘delinquent’ en ‘gedetineerde’) en ‘mortification’ (verlies van privacy, autonomie, controle over het eigen leven). De processen beginnen bij het onthaal (foto, bad, afgeven van persoonlijke bezittingen en kleren, vervanging door gevangenis uniform) en gaan verder tijdens de hele detentie (controles van cel, briefwisseling en bezittingen, fouilles op het lichaam en naaktfouilles). Zij illustreren de mogelijkheden van de institutie om het leven van de gedetineerde te controleren op een omvattende wijze die ongebruikelijk is in andere contexten. Gevangenissen verschillen bovendien van andere totale instituties door de aard en de mate van machtsonevenwicht tussen personeel en gedetineerden. Gedetineerden zijn onderworpen aan een gezag dat ze niet noodzakelijk als legitiem ervaren, maar dat door de uitvoerders, het gevangenispersoneel, zelfs door geweld kan uitgeoefend worden. De ervaringen van de concentratiekampen en wetensschappelijke experimenten zoals die van Milgram en Haney en Zimbardo hebben aangetoond dat dergelijk onevenwicht tot situaties van extreme afhankelijkheid kan leiden die inherente risico’s op machtsmisbruik en ongeoorloofd geweld inhouden. Deze kunnen niet verklaard worden door enkele sadistische ‘rotte appels’: vele gemiddelde burgers blijken in bepaalde omstandigheden tot dergelijk gedrag in staat zijn.

 

Deze kenmerken van gevangenissen moeten evenwel in samenhang gezien worden met de complexiteit van het dagelijks gevangenisleven en de belangrijke verschillen in sociale organisatie tussen gevangenissen. De totale macht van het personeel dient gerelativeerd door de realiteit van de staf – gedetineerden ratio, waarbij het personeel sterk in de minderheid is, en de noodzakelijke medewerking van de gedetineerden voor het verrichten van routine taken. In de zgn. ‘post autoritaire’ gevangenissen, waar het personeel niet gewapend is en permanent (dreigen met) geweld iet aanvaard wordt, ervaart het personeel heel wat druk om tot een aanvaardbare ‘modus vivendi’  met de gedetineerden te komen via compromissen en flexibiliteit. Dit moet begrepen worden in de context van Sykes beschrijving van de vrijheidsberoving als een situatie van deprivaties, de zgn. ‘five pains of imprisonment’ voor de gedetineerden: deprivatie van vrijheid, van goederen en diensten, van heteroseksuele relaties, van autonomie, van persoonlijke veiligheid. Deze deprivaties zijn belangrijk om zowel de individuele beleving als het collectieve gebeuren in detentie te begrijoen, aangezien vele handelingen en gedragingen van gedetineerden erop gericht zijn te trachten deze deprivaties te verminderen of te compenseren. Gedetineerden zijn geen passieve objecten die een vrijheidsberoving ondergaan, zij ‘beleven’ de detentie, en blijven ‘actoren’ die reflecteren over hun situatie en er strategisch trachten op in te spelen. Gedetineerden hebben ook belang bij geordende routines en medewerking met het personeel, die tot meer ‘ontologische zekerheid’ en toegang tot schaarse goederen en diensten kunnen leiden, maar kunnen hier ook weerstand tegen bieden teneinde een stukje eigen identiteit te bewaren in een ‘mortifying total institution’.        

 

In de recente penologische literatuur is er discussie over de vraag in welke mate onze huidige moderne gevangenissen nog steeds als ‘totalitaire instituties’ kunnen omschreven worden. Sommige auteurs benadrukken het verminderde totalitarisme door het invoeren van rechten van gedetineerden, meer activiteiten, het openen naar de buitenwereld en het binnenbrengen van externe diensten. Anderen benadrukken dat de essentie van het instituut ongewijzigd gebleven  is. Het doel van de gevangenis is nog steeds prioritair het beschermen van de samenleving tegen haar bewoners, niet het verdedigen van hun belangen, en gedetineerden blijven afhankelijk van het instituut, dat hun leven volledig tracht te controleren.

 

Het besef van deze problemen ligt aan de basis van een aantal belangrijke beleidsbeslissingen die de laatste 30 jaar in België genomen zijn. Zo gaat er sinds de ministeriële circulaire van 5 maart 1975 veel aandacht naar het stimuleren van contacten van gedetineerden met de buitenwereld (bezoek, briefwisseling, media) en zijn er initiatieven genomen om familiebezoek zo optimaal mogelijk te laten verlopen (kinderbezoek, ongestoord bezoek). Met de staatshervorming van 1980-1988 werd de voorbereiding van de sociale reintegratie van gedetineerden naar de Gemeenschappen overgeheveld. Alhoewel er ook voordien reeds heel wat initiatieven ter zake genomen werden door lokale gevangenisdirecties, heeft het Strategisch Plan (2000) in Vlaanderen de inbreng van externe diensten en het aanbod aan activiteiten verder gestimuleerd. De Basiswet van 2005 erkent expliciet dat gedetineerden (en dan spreken we nog niet over hun families) detentieschade  oplopen (art. 6, par. 2) en tracht een regime te garanderen dat zo weinig mogelijk verschilt van het leven in de buitenwereld. Het besef van de noodzaak om gevangenissen te openen voor externe controle heeft geleid tot de oprichting van organen zoals CPT of de Commissies van Toezicht en tot een toegenomen rechterlijke controle op beslissingen in de strafuitvoering (kortgedingen, wet op de externe rechtspositie en oprichting van Strafuitvoeringsrechtbanken).

 

Alles kits dan in Belgisch gevangenisland? Toch niet. Er zijn ook een aantal ontwikkelingen, zowel buiten als binnen de gevangenissen, die deze pogingen bemoeilijken.

 

Zo kampen de Belgische gevangenissen al 25 jaar met overbevolking, zeker in de arresthuizen, die het ontwikkelen van een adequaat regime en van een regionale classificatie bemoeilijkt of onmogelijk maakt. Demografische evoluties in de samenleving en de toegenomen mobiliteit in Europa en daarbuiten hebben, in interactie met een selectieve werking van de strafrechtsbedeling, tot een gewijzigd profiel van de gevangenispopulatie geleid, met 44% vreemdelingen en een oververtegenwoordiging van bepaalde etnische minderheden. Dit leidt tot problemen van communicatie met het personeel en bemoeilijkt het aanbod van aangepaste activiteiten ter voorbereiding van de re-integratie. Wijzigingen in het gezondheidsbeleid beïnvloeden de mogelijkheden tot opvang van daders met een psychiatrische problematiek in de vrije samenleving, en resulteren in een hogere aanwezigheid van dergelijke personen in de gevangenissen, die hiervoor onvoldoende uitgerust zijn. De toegenomen media aandacht voor justitie in het algemeen en gevangenissen in het bijzonder, en de toegenomen politisering van het strafrechtelijke beleid na de zaak Dutroux heeft tot een grotere nadruk op risicobeheersing geleid.

 

In een VUB-ULB onderzoek in 8 gevangenissen in opdracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen stelden we vast dat alle bevraagde gedetineerden, ongeacht de variaties in leefomstandigheden en regimes, nog steeds refereren naar de dagelijkse confrontatie met de deprivaties, zoals omschreven door Sykes. En naar wat wij toen als ‘institutioneel geweld’ omschreven hebben: de druk uitgeoefend door de instelling zelf op haar bewoners, via het ontbreken van privacy, de vele vormen van onzekerheid, de fouilles, het eindeloze wachten,… Toch waren er belangrijke verschillen in het ervaren ‘institutioneel geweld’ tussen (delen van) inrichtingen, afhankelijk van de leefomstandigheden (materieel, overbevolking), actieve versus passieve regimes (activiteiten) en liberale versus autoritaire regimes (mate van autonomie en keuze mogelijkheden). Alle vormen van geweld, ‘institutioneel’, tussen personeel en gedetineerden, tussen gedetineerden onderling, collectief (opstanden), zelfmoordpogingen en automutilaties, kwamen het meeste voor in de actieve en liberale regimes. De kwaliteit van de relaties tussen gedetineerden en personeel was ook het hoogst in de actieve en liberale regimes, waar het personeel de gedetineerden het best kende, en in de vaste unit systemen, waar persoonlijke interacties gemakkelijker ontwikkelden, zelfs in arresthuizen met een hoog verloop aan gedetineerden. De meer frequente persoonlijke contacten leidden tot meet argumenten en discussies, en latente conflicten kwamen gemakkelijker aan de oppervlakte dan in passieve en autoritaire regimes. Dit vereiste meer interpersoonlijke  communicatievaardigheden van het personeel, maar werd gecompenseerd door het minder voorkomen van geweld in al zijn vormen.

 

Deze bevindingen liggen volledig in de lijn van het concept van ‘dynamische veiligheid’, dat opgenomen is in de nationale en internationale regelgeving. De Basiswet stelt in art. 105 par. 1:

 

“Het handhaven van de orde en de veiligheid impliceert een dynamische wisselwerking tussen het gevangenispersoneel en de gedetineerden, enerzijds, en een evenwichtige verhouding tussen de technische middelen die worden ingezet en een constructief gevangenisregime, anderzijds”.

 

We vinden ongeveer dezelfde bewoordingen terug in R. 49 en 51.2 van de European Prison Rules (2006). Gevangenissen hebben een reeks fysieke beveiligingsmiddelen, zoals muren, tralies en elektronische controles, die ook wel ‘passieve’ veiligheid worden genoemd. Analyses van ontsnappingen en opstanden tonen evenwel aan dat deze passieve veiligheid niet kan werken zonder de ‘dynamische’ veiligheid die het resultaat is van kwalitatief hoogstaande contacten, relaties en communicatie tussen personeel en gedetineerden. Dynamische veiligheid staat in interactie met het noodzakelijke maar moeilijke evenwicht tussen 4 fundamentele taken van de gevangenis: ‘çustody, order, justice and care’, Dit betekent: externe veiligheid (beletten van ontsnappingen), interne orde (veiligheid en ordelijk samenlevingsklimaat voor iedereen in de gevangenis), rechtvaardigheid (ervaren legitimiteit van beslissingen), en het beperken van de detentieschade door het in stand houden of verbeteren van het fysieke en mentale welzijn van de gedetineerden (aanpak van psychosociale problemen van gedetineerden geïmporteerd uit de buitenwereld of veroorzaakt door detentie). Interne orde en externe veiligheid moeten begrepen worden in wisselwerking met de 2 andere taken: regimes die onvoldoende beantwoorden aan de eisen van ‘justice’ en çare’ blijken ook meer problemen te stellen van interne en externe veiligheid.

 

De complexiteit van deze taken ligt in de spanningen die ertussen rijzen. Teveel nadruk op externe veiligheid kan het leven intern ondraaglijk maken en tot weerstanden en opstanden leiden, maar onvoldoende aandacht voor externe veiligheid uit schrik voor conflicten met de gedetineerden kan dan weer risico op ontsnappingen doen toenemen. De rechtvaardigheid van het regime wordt door de gedetineerden ervaren via de consistentie en de motivering van de beslissingen, de toegang tot effectieve overleg- en klachtprocedures, de eerbiediging van fundamentele rechten, maar kan door het personeel gezien worden als een hinder voor een efficiënt veiligheidsoptreden (cf. discussies over naakt fouilles n.a.v. de Basiswet) of tot te grote formalisering leiden. Meer activiteiten voor de gedetineerden ter voorbereiding van hun reintegratie, kan de legitimiteit van het gevangenisregime ten goede komen en kan in principe ook leiden tot meer dynamische veiligheid, aangezien  dit meer contacten mogelijk maakt tussen personeel en gedetineerden, maar wordt door een deel van het bewarend personeel soms louter aanzien als meer bewegingen en dus een aantasting van de (passieve) veiligheid.

 

Het nastreven van deze 4 taken stelt uiteraard zwaardere eisen aan het personeel dan een louter passieve veiligheidsvisie. Daar bovenop komen dan nog de reeds vermelde externe invloeden, die het werken in een gevangenis tot een zeer complex beroep gemaakt hebben. Dit geldt in het bijzonder -  maar niet alleen – voor de bewaarders, en verklaart misschien ook deels de verharding van hun syndicale acties. Maar ook directieleden en leden van de PSD bv. worden geconfronteerd met deze toegenomen eisen en spanningen. Het is echter van fundamenteel belang in te zien dat een loutere passieve veiligheidsvisie, of een systeem dat zich geen vragen stelt over haar legitimiteit, tot mislukking gedoemd is. Dit is dan ook een pleidooi voor een daarwerkelijke en consistente in uitvoering brengen van het geheel van de Basiswet, inclusief een personeelsbeleid dat de complexiteit van deze taken erkent en de verschillende personeelsgeledingen hiertoe ook de middelen en de ondersteuning biedt.