Het is goed dat een parketmagistraat zich laat horen in het debat over de verhouding Openbaar Ministerie versus strafpleiters.

Eindelijk neemt ook een hoger parketmagistraat deel aan het justitiedebat. Advocaat-generaal Luc Decreus onderstreept de rol van het Openbaar Ministerie (OM), in een poging tot objectivering: het OM is de advocaat van het algemeen belang, van het recht op leven en veiligheid dat door misdrijven werd miskend. Decreus reageert daarmee op polemische uitspraken van advocaten die wantrouwen uitspraken ten opzichte van parketten. De rechten van de verdediging van de maatschappij, aldus Decreus, zijn even heilig als die van een individu dat zich misdraagt.

De parketmagistraat heeft gelijk. Er moet recht worden gesproken, en het OM bewaakt het algemeen belang, dat verstoord werd bij ernstige misdrijven. Het vordert gerechtelijk onderzoek en straf tegen de mogelijke daders. Een belangrijke taak in een rechtstaat. Zijn theatrale vraag – ‘Hebben procureurs geen geweten of stem?’- klaagt aan dat meestal missers media-aandacht krijgen, niet de vervulling van kerntaken en successen. Is dat niet een beetje overdreven?

In publieke debatten is het algemeen belang, inderdaad, zelden goed aanwezig, en zelden met de grootste mond, de meeste durf of mediatiek de aantrekkelijkste boodschap. Zeker inzake justitieel beleid. Een beetje nog bij mediagenieke processen, een beetje ook bij het aantreden van de nieuwe minister van justitie die het allemaal eens zal doen, maar die aandacht zakt snel weg.

Elke speler een precieze rol

Het is ook moeilijk om het algemeen belang goed voor ogen te houden, en ook de advocaat-

generaal ontsnapt niet aan de valkuil. Hij identificeert zich spontaan ‘met de kwetsbare partijen bij een misdrijf: niet de dader, maar slachtoffer en maatschappij’. Met die identificatie gaat hij uit de bocht. Het OM mag zich niet identificeren, tenzij met de beginselen van de rechtstaat, van goede rechtsbedeling, van degelijke rechtspraak. Die rusten op een gelijkheid van wapens tussen de zeer ruime rechten van opspring en vervolging van de potentiële daders van misdrijven, en de zeer ruime rechten van verdediging.

Het parket streeft dan naar de passende veroordeling van de vermoede daders door een onafhankelijke rechtbank, de verdediging moet een veroordeling bestrijden als die niet rust op bewijslast die het parket rechtmatig heeft verzameld en aanvoert. Tussen die beide rollen in de rechtsbedeling bestaat geen ethische voorkeur, beide partijen zijn noodzakelijk en treden op binnen hetzelfde wettelijk kader, dat de ethiek van hun vak definieert.

Doel is, zoals Decreus schrijft, dat de misdaad bang moet zijn voor de democratie, maar van die democratie, maar van die democratie maken de rechten van verdediging deel uit, net zoals de regel dat het parket deugdelijk bewijs moet leveren. Dat heeft niets te maken met het moreel kompas van de ene of andere partij in het strafproces, dat heeft te maken met de roluitklaring van eenieder op grond van een gelijk ethische basis – ver weg dus van de slogan van ‘permissief populisme’, waarmee Decreus naar de advocaten uithaalt.

Regels, aldus de advocaat-generaal, moeten in redelijke proportie staan tot hun doel. Een dooddoener, maar van het gevaarlijke soort. Deugdelijker is het voor ogen te houden dat in een democratische rechtstaat het doel de middelen niet kán heiligen. De wenselijke bestraffing van een vermoedelijke dader moet rusten op wettig onderzoek en rechtmatig aangevoerde bewijslast, de rest is willekeur of machtsmisbruik. En daartegen moeten de rechten van de verdediging beschermen, het is niet anders.

Kortom, procureurs hebben een geweten en een stem, net zoals advocaten van de verdediging.

Ook procureurs moeten méér het publieke justitiedebat voeren, ook de media, ook justitieministers die altijd wegdeemsteren. Maar los van mediatieke processen, mannetjesmakerij of incidentjes. Dan kan het debat weg van de neveneffecten.

BRON: DS 5-4-2012