Op 10-12-2011 werd de algemene beleidsnota Justitie door de Minister in de kamer ingediend. Een jaar later gaan we na wat is overgebleven van de beloftes. Beperking is de rechtspositie van de gedetineerden en wat er is sedert het aan treden van de Minister aan regelgeving is veranderd (of niet!!).

 

Basiswet

Wat de interne rechtspositie betreft stelde de nota: “De hechtenisomstandigheden zullen in overeenstemming worden gebracht met de menselijke waardigheid. De klemtoon zal op de re-integratie van de veroordeelde worden gelegd.”

Re-integratie is in de basiswet een van de doelen van de strafuitvoering. De wet voorziet o.a. de instelling van een detentieplan hetgeen idealiter het (toekomstige) reclasseringsplan van de veroordeelde reeds van in de gevangenis voorbereidt. Via de strafuitvoeringsmodaliteiten, uitgaansvergunning en penitentiair verlof krijgt dit plan dan in principe concreet vorm zodat de veroordeelde met een uitgewerkt plan voor de strafuitvoeringsrechtbank kan verschijnen, zoals wel vaker in dergelijke nota’s blijft het bij algemene verklaringen. Hoe die klemtoon op re-integratie concreet vorm krijgt wordt nog niet meteen duidelijk maar logischerwijze vereist dit het in uitvoer brengen van titel VI “Detentieplanning” van de wet op de interne rechtspositie. Het vraagt ook een voldoende omkadering met name van de psychosociale diensten in de gevangenis en een betere afstemming met de diverse actoren van de gemeenschappen. Zij zijn immers bevoegd voor o.a. onderwijs, welzijn en arbeidstoebedeling. De vraag rijst hoe deze klemtoon op re-integratie verzoend kan worden met enkele recente beleidsdaden van de Minister. Er ligt namelijk het plan om het personeelsbestand van de psychosociale diensten van de gevangenissen de facto in te krimpen, terwijl de psychosociale dienst net als opdracht heeft om de gedetineerde te omkaderen en te begeleiden met het oog op het voorbereiden van hun psychosociale re-integratie en daarbij ook hun reclasseringsvoor-   stellen te evalueren. Dit begeleidingswerk kent uiteindelijk zijn weerslag in een psychosociaal rapport waarop de gevangenisdirecties, de dienst Detentiebeheer en de Strafuitvoeringsrecht- banken zich baseren om hun beslissingen te nemen.

 

“De inwerkingtreding van de wet op de interne rechtpositie van de gedetineerde zal worden voortgezet.”

Belangrijke bepalingen uit de basiswet blijven nog steeds dode letter en wachten nog op uitvoeringsbesluiten. We vermelden al het detentieplan maar nog urgenter is o.i. de inwerkingtreding van het deel over het toezicht en de klachtenprocedure. Dit laat al te lang op zich wachten. Het CPT beklemtoont de noodzaak hiervan sedert 1994 (!!!) in haar rapporten over België. Ook het gebrek aan werkingsmiddelen voor de Toezichtcommissies en de Centrale Toezichtraad werd al herhaaldelijk aan de kaak gesteld. Spijtig genoeg stellen we vast dat de Minister evenmin alle andere bepalingen in werking heeft laten treden. Zelfs voor zaken die ondertussen via de weg van een collectieve brief van de Directeur Generaal in de praktijk al werken, zoals de overlegorganen ontbreken de nodige uitvoeringbesluiten.

 

Externe rechtspositie.

Over de strafuitvoering staat het volgende in de nota: “De straffen zullen meer gediversifieerd worden, er zullen nieuwe autonome straffen komen zoals elektronisch toezicht, vermogenssanctie, probatie, …

Eenmaal opgelegd moet de straf effectief en coherent worden uitgevoerd.

- prioriteit zal worden gegeven aan de tenuitvoerlegging van korte straffen door het gebruik

   van speciale procedures, waaronder met name thuisdetentie.

- alle bepalingen over de strafuitvoeringrechtbank zullen van kracht worden. Het gaat met

   name om het in staat stellen van de rechtbank om de uitvoering van straffen minder dan 3

   jaar te controleren, wat tot op heden de bevoegdheid was van de minister van Justitie. Het

   Openbaar Ministerie zal hierbij beetrokken worden.”

Gegeven deze belofte is het volkomen onbegrijpelijk dat het parlement op voorstel van de regeringspartijen in juli 2012 precies de inwerkingtreding van deze bepalingen uitstelde tot 1 sept. 2013 en dit omwille van ‘budgettaire restricties’. En te bedenken dat oorspronkelijk dit deel reeds 1 sept. 2009 in uitvoering diende te komen maart werd uitgesteld naar 1 sept. 2012. Bij de bespreking van dit voorstel beklemtoonde de Minister dat de wetgeving in kwestie zo spoedig mogelijk in werking zou treden en dat zowel het OM, de strafuitvoeringrechtbanken en de penitentiaire inrichtingen over de nodige middelen en de nodige capaciteit zouden beschikken. Is het niet net aan de regering om hiervoor te zorgen? En in hoeverre is het budget argument valabel als men blijft volhouden dat strafuitvoering een prioriteit is. Hierbij in groot contrast met de situatie in de praktijk waarbij invrijheidstellingen een automatisme zijn geworden en dat gezien op voorziene procedures alleen daardoor al zouden leiden tot overschrijding van de tijdsvoorwaarden voor invrijheidstelling. De overbevolking in de gevangenissen zou hierdoor alleen maar toenemen!!

In het licht van de forse verklaringen van de Min. van Justitie (en haar politieke kleur) kon men verwachten dat de omzendbrief over de voorlopige invrijheidstelling en over het elektronisch toezicht zou worden aangepast. Dit gebeurde tot nu toe niet. Wel werden er in de praktijk enkele wijzigingen aan de regelgeving elektronisch toezicht aangebracht, zonder evenwel de omzendbrief te herschrijven.

Zo stuurde de Directeur Generaal in aug. 2012 en later van datzelfde jaar in sept. en okt. nieuwe richtlijnen voor de gevangenisdirecties inzake het elektronisch toezicht in afwachting van een nieuwe omzendbrief elektronisch toezicht. In de nieuwe richtlijnen staat het afschaffen van de maatschappelijke enquête centraal. Het is duidelijk dat dit is ingegeven door eveneens ‘budgettaire restricties’, omdat er zo minder justitieassistenten dienen te worden ingezet. Justitieassistenten schetsen de enquête een beeld van de veroordeelde die vraagt om zijn straf onder elektronisch toezicht uit te zitten. En voor de directies is dit de voornaamste informatiebron om een beslissing inzake elektronisch toezicht en de op te leggen voorwaarden te nemen. Nadat enkele directies duidelijk maakten dat ze zonder zo’n enquête niet op een gedegen wijze elektronisch toezicht konden toekennen, verduidelijkte de Directeur Generaal dat voor gedetineerden die overeenkomstig de bestaande omzendbrief in strafonder-

breking worden geplaatst geen beslissing inzake elektronisch toezicht wordt genomen. Alle genomen beslissingen sedert 1 sept. 2012 worden opgeschort in afwachting van de nieuwe omzendbrief.

 

Voor elektronisch toezicht worden er dus wel nieuwe regels in het vooruitzicht gesteld maar of dit in de richting gaat van wat de wet voor straffen onder de 3 jaar voorziet is allerminst duidelijk. Wil men de wet ooit in voege laten gaan zal men mogelijks ofwel de praktijken via een omzendbrief moeten aanpassen in de richting van de wettelijke bepalingen ofwel de wet aanpassen in de richting van automatische toekenningen van elektronisch toezicht en voorlopige invrijheidstellingen. De laatste optie lijkt het waarschijnlijkst maar institutionaliseert men dan niet de kloof tussen straffen boven en onder de 3 jaar? En hypothekeert men dan tegelijk ook niet de diversificatie van het strafarsenaal? Om van de hiërarchie tussen straffen maar te zwijgen!

 

Over de diversificatie van de strafuitvoering is er anders ook goed nieuws: enkele kamerleden van de Commissie Justitie dienden op 10 okt. 2012 een resolutie ‘voor een proefproject van gedifferentieerde strafuitvoering’ expliciet verwijzend naar het project De Huizen’ dat door de Liga van Mensenrechten wordt uitgewerkt. De indieners zijn pleitbezorgers voor begeleiding, naast beveiliging en leggen de vinger op de versnippering in de huidige begeleiding van gedetineerden.

 

Voorhechtenis.

De nota meldt over voorhechtenis het volgende:

 

“De strijd tegen de overbevolking in de gevangenis zal worden voortgezet met name door de hervorming van de procedures die leiden tot voorlopige hechtenis, goed voor 40% van de hechtenissen, onder meer door alternatieven voor het aanhoudingsbevel te ontwikkelen (enkelband als alternatief voor detentie)”.

 

De wettelijke basis hiervoor is gelegd, gezien op 13 nov. 2012 de Kamer het ‘Wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende Justitie’ dat ondermeer een wijziging van de wet op de voorlopige hechtenis inhoudt. Het voegt er enkele bepalingen aan toe die de onderzoeks-

rechter moeten toelaten de aanhouding te laten uitvoeren onder de vorm van een ‘thuisdetentie onder elektronisch toezicht’. Laat ons hopen dat dit niet zal leiden tot meer aanhoudingen (netwidening) maar dat het effectief het aantal personen in voorhechtenis doet dalen. De inwerkingtreding zal via Koninklijk Besluit gebeuren uiterlijk op 1 jan. 2014 tenzij men op ‘budgettaire restricties’ dit door het parlement laat verschuiven.

 

                                                                            

                                                                                           Bron: Fatik (2012) nr. 136.