Het was op 31 mei 2008 precies 120 jaar geleden dat het Belgisch parlement de wet op de voorwaardelijke invrijheidstelling goedkeurde, de zogenaamde wet Lejeune, genoemd naar de toenmalige minister van Justitie, Jules Lejeune.

Van die wet weten we dat gevangenen hem kunnen inroepen om na één derde van hun straf vrij te komen. Veel minder weten dat de wet ook de voorlopige veroordeling invoerde. Het was niet omdat iemand een strafbaar feit had gepleegd, dat hij perse ook de gevangenis in moest gaan. Velen verguizen de wet Lejeune vandaag de dag. Ze verwijzen naar de vervroegde invrijheidstelling van bijvoorbeeld gedetineerden die eenmaal vrij, snel terug vallen in hun oude gewoontes. Soms wordt de wet ook gewoon niet goed toegepast.

Over het ontstaan van de inhoud en de geest van de wet schreef Stef Christaensen het boek “Tussen klassieke en moderne criminele politiek. Leven en beleid van Jules Lejeune”.

In zijn essentie luidde de wet Lejeune een totaal andere benadering van de criminaliteit in.

Het klassieke strafrecht keek naar de feiten en paste daar een tarief op toe. Lejeune keek naar de mens. Was hij een onverbeterlijke veelpleger, dan was er geen pardon, maar mogelijk was de gevangene in de gevangenis een beter mens geworden en verdiende hij een kans om buiten de muren de draad weer op te pakken. Om het ontstaan van de wet te begrijpen moet het tijdsbeeld worden geschetst. België maakte in de 19e eeuw een woelige periode door, de schooloorlog had diepe wonden geslagen en er waren schrijnende sociale toestanden. Almaar meer arbeiders sloten zich aan bij de pas opgerichte Belgische Werkliedenpartij. Het establishment noemde dat het grote complot. In 1886 werden 2 leiders van de arbeidersopstanden opgepakt en zeer zwaar gestraft. Het gerucht deed de ronde dat de Staatsveiligheid onlusten had uitgelokt om de opkomende arbeidersbeweging in diskrediet te brengen. Die geruchten plus het feit dat een van de vakbondsleden ernstig ziek was zorgden voor een explosieve situatie. De overheid was bang dat de vakbondsman zou sterven. Een martelaar konden ze missen als kiespijn. Het vuur kon elk moment weer oplaaien, de gevangenissen waren overbevolkt (ook toen was er al het probleem!). Het is tegen deze achterliggende gespannen toestand dat de wet Lejeune op 31 mei 1888 versneld door het parlement werd gejaagd.

De ideeën van Lejeune, voormalig advocaat, rijpten tijdens de lange gesprekken met de befaamde rechtskundige Adolphe Prins. Die mag evenzeer naast Lejeune de geestelijke vader van de wet worden genoemd. In die tijd werd het strafwetboek letterlijk uitgevoerd, er waren feiten en er waren tarieven. Die werden dan ook volgens het boekje uitgesproken. Het systeem was beter dan het vervolgingsbeleid uit het Ancien Régime toen willekeur schering en inslag was, maar Prins had andere inzichten. Het was niet goed om enkel te kijken naar de mate van de schuld op het moment van de feiten. Een mens kan in de gevangenis een beter mens worden. Op het moment van de feiten betekende de persoon een potentieel gevaar voor de maatschappij. Niet zomaar natuurlijk. Pas na een derde van zijn straf en op voorwaarde dat de gevangene een ban had. De wet Lejeune ging ook uit van de vaststelling dat de bestaande wetgeving onvoldoende bescherming bood tegen recidivisten. Veelplegers werden voor dezelfde feiten telkens weer naar het zelfde tarief veroordeeld. Om recidive tegen te gaan was het dus beter om veelplegers te onderwerpen aan een extra zwaar gevangenisregime. Bovendien zou een veelpleger pas kunnen vrijkomen na tweederde van zijn straf. De wet was voor België revolutionair, maar uniek waren de ideeën niet, die maakten in het buitenland al langer opgang.

Het nieuwe uitgangspunt was dat gevangenen maatschappelijk verankerd moeten blijven, niet zomaar in de vergeetput mogen worden gedumpt. Het was belangrijk dat ze de band met de maatschappij niet zouden verliezen. Ze zouden ook niet zomaar opnieuw de maatschappij instappen. Lejeune voorzag de patronagecomités om vervroegd vrijgelaten gevangenen niet alleen te controleren, maar ook te helpen. Voor landlopers werd naar een baan gezocht. Jongeren werden aan het leren gezet. Het idee was dat je met begeleiding en controle mensen uit de cel kon houden. Mensen opnieuw op weg helpen was ook het idee achter de wet op de Landloperij en de Bedelarij die tevens van de hand van Lejeune kwam. Zelfs de wet op de Kinderbescherming mag op het conto van Lejeune worden geschreven. De tekst van de wet waar in 1912 over werd gestemd had Lejeune 20 jaar eerder al geschreven. Het is goed de achtergrond van de wet Lejeune te kennen alvorens bij het eerste het beste incident met een vervroegd vrijgelaten gevangene de afschaffing van de wet Lejeune te vragen!!