‘L’enefer, c’est Forest’

Met 3 in een eenpersoonscel, met 4 in een cel voor 2. Zonder toilet. Matrassen als uitgewoonde hondenmanden en dekens waartegen die van verhuizers satijn zijn. ‘Stel je het kleinste, guurste, stinkende kot voor dat je kunt bedenken, en het is nog een vijfsterrenhotel in vergelijking met een cel in Vorst’.

‘Het gebeurde in februari 2010. Ineens werd ik ontboden op het politiekantoor in Brussel-centrum, achter de grote Markt. Geen haar op mijn hoofd dat nog dacht aan dat vergrijp van een jaar eerder: ik was achter het stuur gekropen terwijl mijn rijbewijs voor een 2e keer ingetrokken was. Mijn vader was ziek, het was een noodgeval. En lap, ik had prijs…

Een fikse geldboete en minstens 4 maanden rijverbod erbovenop, flitste door mijn hoofd toen ik werd tegengehouden. Maar na het proces-verbaal hoorde ik een jaar lang niets. Tot de bewuste februaridag. Eenmaal op het commissariaat werd ik prompt gearresteerd en naar de gevangenis van Vorst gebracht… Ik heb er ‘slechts’ 10 dagen gezeten, maar die 10 dagen hebben mijn leven veranderd’.

Brusselaar David (43) werkt in de banksector. Telg uit een welgestelde aristocratische familie. ‘BCBG’, zeggen ze in Brussel. Bon chic, bon genre. Hij praat zelfzeker en lijkt zijn zaakjes prima voor elkaar te hebben. Maar schijn bedriegt: sinds hij 2 jaar geleden anderhalve week in de gevangenis van Vorst door gebracht, is David dezelfde niet meer. Hij heeft maandenlang psychologen afgedweild om zijn leven weer wat op orde te krijgen. De nachtelijke angstaanvallen minderen, de herinnering aan zijn vreselijke ervaring intra muros – de propvolle en aftandse cellen, de agressie die er in de lucht hangt, de snijdende stank – vervaagt nooit. ‘Ik had nog nooit een gevangenis van dichtbij gezien, en plots zat ik er opgesloten’, begint David zijn verhaal. ‘Die 1ste uren besefte ik nauwelijks wat me overkwam’. Eerst deelde ik met 3 andere mannen een cel van twee, later deelden we met 2 een eenpersoonscel in de D vleugel. Ik had geluk: een cipier die ik toevallig kende dat ik met een andere Belg in de cel zat.’

De piepkleine cellen zonder sanitaire voorzieningen drijven menig gedetineerde tot wanhoop. Behalve in vleugel A – waar de cellen het oudst zijn maar ter compensatie de werkende gedetineerden huizen – zitten ze 23 uur op 24 in een ruimte van 8 of 9 vierkante meter.

De Brusselse rechtbankvoorzitter Luc Hennart klaagde dinsdag de wantoestanden aan (DS 4 april). Hennart, nochtans een man uit één stuk, struikelde na een bezoek aan de gevangenis over zijn verontwaardiging uit te drukken. Mensonwaardig. Middeleeuws’, noemde hij de levensomstandigheden van de gedetineerden. De voorzitter wilde met eigen ogen zien wat de Commissie van Toezicht, de advocaten en mensenrechtenorganisaties de voorbije dagen hadden aangeklaagd.

Rillingen

‘Prehistorisch’ noemt David de levensomstandigheden. ‘De rillingen lopen over mijn rug als ik terugdenk aan de emmers. In de cellen zonder wc staat een emmer die destijds eenmaal per dag leeggemaakt werd. Je moest dus bidden dat iedereen op tijd zijn grote boodschap gedaan had, anders zat je de rest van de dag én de nacht met een weerzinwekkende geur opgescheept. De vuiligheid stapelt zich op in de cellen, overal zijn vocht- en schimmelplekken, de tralies zijn uitgesleten van alle pogingen om te ontsnappen of er een eind aan te maken. En dan de matrassen! Vuil, stinkend, vol met vlekken en haren van voorgangers, une mousse de merde…’

De mede gedetineerden kregen respect voor hem nadat hij een paar keer ‘noodgedwongen’ zijn vuisten te voorschijn had gehaald. ‘Ze noemden mij ‘le prof’, ik schreef hun brieven. Velen van hen waren moslims, die geen varkensvlees aten. ‘Ja ja, het is halal!’ riepen de koks dan, maar dat was absoluut niet waar.

Met de cipiers had David evenmin problemen, maar volgens hem is niet al het gevangenis- personeel van goede wil. Een dringende fax van zijn advocaat werd hem pas 4 dagen later bezorgd, de 100 euro die zijn moeder op z’n gevangenisrekening had gestort, heeft hij nooit gezien.

De omstandigheden verhitten de gemoederen. Er hangt veel agressie in de lucht, zegt David. ‘De frustraties maken mensen niet beter, maar slechter. Na amper 10 dagen had ik genoeg contacten gelegd en kennis opgedaan om mij in de buitenwereld staande te houden in het criminele milieu. Ik zou zo in de drugs- of wapenhandel zijn geraakt. ik geloof niet dat deze strafinrichting iemand tot inzicht brengt. ‘L’enfer, c’est Forest. Hoe kán iemand daar beter uitkomen?’ David werd bij verstek veroordeeld maar tekende verzet aan. Uiteindelijk kreeg hij in september 2010 zijn voorspelde 4,5 maand rijverbod.

Tikkende tijdbom

David overdrijft niet, zegt advocaat Réginald de Béco, voorzitter van de Commissie van Toezicht van de gevangenis van Vorst. ‘Hoe ver is het niet gekomen als gevangenen smeken om in het cachot te mogen zitten, terwijl dat een strafcel is met licht nog lucht? De voorbije winter konden de strafcellen daarenboven een week niet gebruikt worden omdat de verwarming stuk was. Dat er niet méér stakingen en muiterijen zijn, is een wonder. Maar elke tikkende tijdbom explodeert op een dag.’

Al jaren klaagt de commissie de levensomstandigheden in het Brusselse arresthuis aan, maar tot nu toe riep ze meestal in de woestijn. Tot vorige week. De maat was vol, oordeelde de commissie en ze stuurde samen met Brusselse advocaten, magistraten, de Liga voor de Mensenrechten en het Observatorium voor het Gevangeniswezen een brief naar minister Annemie Turtelboom (Open VLD).

Enkele dagen later, op 30 maart, velde de Brusselse raadkamer een opmerkelijk arrest. Voor het eerst werd een beklaagde niet in hechtenis naar Vorst gestuurd maar getransfereerd naar de gevangenis van Saint-Gilles. De reden? ‘De levensomstandigheden in Vorst zijn volgens de raadkamer een inbreuk p artikel 3 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat een humaan detentiebeleid verplicht,’ aldus de Béco.

‘Die eerste week op secreet was het ergste, Je zit alleen, in het donker, krijgt eten door een luik. Ze doen werkelijk alles opdat je zou breken. Bekennen. Maar bij mij viel er niets te bekennen. Maar bij mij viel er niets te bekennen! Ik werd behandeld en bekeken als een stuk geboefte. Als een corrupte bendeleider – dat was de beschuldiging. Na een week in die eenzaamheid ‘mocht’ ik naar een gewone cel. Maar ook daar kreeg ik het hard te verduren: ik was de ‘grote baas’, zodra er een lamp kapot was ergens moest ik dat regelen. Hoe ik het volhield? Ik kreeg gelukkig medicatie – dat was mijn redding.’

Hans Evenepoel (69), voormalig directeur-generaal van de Regie der Gebouwen (RdG) zat in 2006 welgeteld 104 dagen in de cel. Ook hij herinnert zich als de dag van gisteren de vernedering. ‘De cipiers luisterden alles af. De cellen stonken tot in de tiende macht. Kakkerlakken, ik heb ze in veelvoud gezien.’ Hij zat in de vleugel A, het meest aftandse deel van de gevangenis. ‘Mijn vrouw had mij overtuigd om te werken in de bibliotheek. Dat mocht, op voorwaarde dat ik naar een cel verhuisde waar geen WC was maar een emmer met ‘lookwater.’ Zonder deksel.

‘Je mag gelukkig dagelijks telefoneren’, gaat hij verder, ‘maar alleen als je familie geld stort op een rekening.’ Een Oost-Europeaan met wie hij niet kon communiceren en een ‘zatterik uit Meise,’ dat waren Evenpoels celgenoten. Na een tijdje raakte hij tijdens de wandeling enigszins bevriend met een kok die hem al eens wat lekkers toestopte. Al is dat relatief.

Cynisch is het wel, de baas van de gevangenisgebouwen die er uiteindelijk zelf in sukkelt. Tot op vandaag is de zaak niet afgerond, Evenpoel wast zij handen in onschuld. Naar de Regie is hij niet meer teruggekeerd. Zou hij anders Vorst hebben aangepakt? Hij zucht. ‘We waren ermee bezig. Maar budgetten lospeuteren voor gevangenissen ligt moeilijk. Een nieuw justitiepaleis levert stemmen op, een gevangenis niet.’

David is een schuilnaam.

BRON: DS 5-4-2012